11. Algemeen gereedschap

11.1. Contextuele help

Wanneer u hulp nodig hebt over een specifiek onderwerp, krijgt u toegang tot de overeenkomende pagina in de huidige Gebruikershandleiding via de knop Help, die beschikbaar is in de meeste dialoogvensters — onthoud dat plug-ins die door derden zijn gemaakt, kunnen verwijzen naar speciaal daarvoor gemaakte webpagina’s.

11.2. Panelen

Standaard verschaft QGIS veel panelen om mee te werken. Sommige van deze panelen worden hieronder beschreven terwijl andere in verschillende gedeelten van het document zijn te vinden. Een volledige lijst van standaard panelen die door QGIS worden verschaft is beschikbaar via het menu Beeld ► Panelen ► en zijn vermeld op Panelen.

11.2.1. Paneel Lagen

Het paneel Lagen (ook wel de legenda van de kaart genoemd) vermeldt alle lagen in het project en helpt u om hun zichtbaarheid te beheren. U kunt het weergeven of verbergen door te drukken op Ctrl+1. Een laag kan worden geselecteerd en omhoog of omlaag worden gesleept in de legenda om de Z-volgorde te wijzigen. Z-volgorde betekent dat lagen die zijn vermeld nabij de bovenzijde van de legenda worden getekend boven lagen die lager in de legenda staan.

Notitie

Het gedrag van de Z-volgorde kan worden overschreven door middel van het paneel Laagvolgorde.

Aan de bovenzijde van het paneel Lagen stelt een werkbalk u in staat om:

  • symbology Paneel Laag opmaken openen (F7): in-/uitschakelen van het paneel Laag opmaken.

  • addGroup Groep toevoegen

  • showMapTheme Kaartthema’s beheren: beheer voor de zichtbaarheid van lagen en ze schikken in verschillende kaartthema’s.

  • filterMap Legenda filteren op kaartinhoud: alleen de lagen die zijn ingesteld om zichtbaar te zijn en waarvan de objecten kruisen met het huidige kaartvenster hebben hun stijl gerenderd in het paneel Lagen. Anders wordt een generiek symbool NULL toegepast op de laag. Gebaseerd op de symbologie van de laag is dit een handige manier om te identificeren welk soort objecten van welke lagen zich in uw gebied van interesse bevinden.

  • expressionFilter Legenda filteren met expressie: pas een expressie toe passen om stijlen uit de geselecteerde boom van lagen te verwijderen, die geen object hebben dat voldoet aan de voorwaarde. Dit kan bijvoorbeeld worden gebruikt om objecten te accentueren die binnen een bepaald gebied/object van een andere laag liggen. U kunt de ingestelde expressie vanuit het keuzemenu bewerken of de huidige gebruikte expressie leeg maken.

  • expandTree Alles uitklappen of collapseTree Alles inklappen, lagen en groepen in het paneel Lagen.

  • removeLayer Laag/Groep verwijderen momenteel geselecteerde.

../../../_images/layer_toolbar.png

Fig. 11.1 Werkbalk Laag in paneel Lagen

Notitie

Gereedschappen om het paneel Lagen te beheren zijn ook beschikbaar voor kaart- en legenda-items van afdruklay-outs

11.2.1.1. Kaartthema’s configureren

De keuzeknop showMapTheme Kaartthema’s beheren verschaft toegang tot handige sneltoetsen om de zichtbaarheid van de lagen te bewerken in het paneel Lagen:

  • showAllLayers Alle lagen tonen

  • hideAllLayers Alle lagen verbergen

  • showSelectedLayers Geselecteerde lagen tonen

  • hideSelectedLayers Geselecteerde lagen verbergen

  • toggleSelectedLayers Geselecteerde lagen schakelen: wijzigt de zichtbaarheid van de eerste geselecteerde laag in het paneel, en past die status toe op de andere geselecteerde lagen. Ook toegankelijk met de sneltoets Spatiebalk.

  • Geselecteerde lagen onafhankelijk schakelen: wijzigt de status voor zichtbaarheid van elke geselecteerde laag

  • hideDeselectedLayers Niet geselecteerde lagen verbergen

Naast het simpel beheren van de zichtbaarheid van lagen, stelt het menu showMapTheme Kaartthema’s beheren u in staat Kaartthema’s te configureren in de legenda en te schakelen van het ene thema naar een ander. Een kaartthema is een momentopname van de huidige legenda van de kaart die vastlegt:

  • de lagen die zijn ingesteld als zichtbaar in het paneel Lagen

  • en voor elke zichtbare laag:

    • de verwijzing naar de op de laag toegepaste stijl

    • de zichtbare klassen van de stijl, d.i. de op de laag geselecteerde items knoop in het paneel Lagen. Dit is van toepassing op de symbologieën, anders dan het renderen van het enkele symbool

    • de opgevouwen/uitgevouwen status van de kno(o)p(en) en groep(en) van de laag is er in geplaatst

Een kaartthema maken:

  1. Selecteer een laag die u wilt weergeven

  2. Configureer de eigenschappen voor de laag (symbologie, diagram, labels…) zoals gewoonlijk

  3. Vergroot het menu Stijl ► aan de onderzijde en klik op Toevoegen… om de instellingen op te slaan als een nieuwe ingebedde stijl in het project

    Notitie

    Een kaartthema onthoud niet de huidige details van de eigenschappen: alleen een verwijzing naar de naam van de stijl wordt opgeslagen, dus wanneer u aanpassingen toepast op de laag terwijl deze stijl is ingeschakeld (bijvoorbeeld het renderen van de symbologie wijzigt), wordt het kaartthema bijgewerkt met de nieuwe informatie.

  4. Herhaal de eerdere stappen indien nodig voor de andere lagen

  5. Indien van toepassing, groepen of zichtbare laagknopen uit- of inklappen in het paneel Lagen

  6. Klik op de knop showMapTheme Kaartthema’s beheren boven in het paneel, en op Thema toevoegen…

  7. Voer de naam voor het kaartthema in en klik op OK

Het nieuwe thema wordt vermeld in het onderste gedeelte van het keuzemenu showMapTheme.

U kunt net zoveel kaartthema’s maken als u wilt: wanneer de huidige combinatie in de kaartlegenda (zichtbare lagen, hun actieve stijl, de knopen voor de kaartlegenda) niet overeenkomt met de inhoud van een bestaand kaartthema zoals hierboven gedefinieerd, klik op Thema toevoegen… om een nieuw kaartthema te maken of gebruik Thema vervangen ► om een kaartthema bij te werken. U kunt het actieve kaartthema hernoemen met Huidige thema hernoemen… of gebruik de knop Huidige thema verwijderen om het te verwijderen.

Kaartthema’s zijn nuttig om snel te schakelen tussen verschillende vooraf geconfigureerde combinaties: selecteer een kaartthema in de lijst om die combinatie te herstellen. Alle geconfigureerde thema’s zijn ook toegankelijk in de afdruklay-out, wat het voor u mogelijk maakt een kaartlay-out te maken, gebaseerd op specifieke thema’s en onafhankelijk van het huidige gerenderde kaartvenster (bekijk Lagen met kaartitems).

11.2.1.2. Overzicht van het contextmenu van het paneel Lagen

Aan de onderzijde van de werkbalk, vermeld de hoofdcomponent van het paneel Lagen in het frame de vector- of rasterlagen die zijn toegevoegd aan het project en optioneel georganiseerd in groepen. Afhankelijk van het geselecteerde item in het paneel, geeft een klik met rechts een vastgestelde set opties weer die hieronder weergegeven worden.

Optie

Vectorlaag

Rasterlaag

Groep

zoomToLayer Zoom naar laag/groep

checkbox

checkbox

checkbox

zoomToLayer Zoom naar selectie

checkbox

inOverview Tonen in overzichtskaart

checkbox

checkbox

Aantal objecten tonen

checkbox

Laag/groep kopiëren

checkbox

checkbox

checkbox

Laag/groep hernoemen

checkbox

checkbox

checkbox

zoomActual Zoom naar eigen resolutie (100%)

checkbox

Uitrekken naar huidig bereik

checkbox

dbManager SQL-laag bijwerken…

checkbox

addGroup Groep toevoegen

checkbox

duplicateLayer Laag dupliceren

checkbox

checkbox

removeLayer Laag/Groep verwijderen…

checkbox

checkbox

checkbox

Groep verlaten

checkbox

checkbox

Verplaats naar bovenste

checkbox

checkbox

checkbox

Naar beneden verplaatsen

checkbox

checkbox

checkbox

Selecteren en ook al zijn ouders

checkbox

checkbox

Geselecteerde groeperen

checkbox

checkbox

openTable Attributentabel openen

checkbox

toggleEditing Bewerken aan/uitzetten

checkbox

allEdits Huidige wijzigingen ►

checkbox

Filteren…

checkbox

Databron wijzigen…

checkbox

Databron repareren…

checkbox

Acties op selecties ► (in modus Bewerken)

checkbox

► Object dupliceren

checkbox

► Object dupliceren en digitaliseren

checkbox

Zichtbaarheidsschaal instellen…

checkbox

checkbox

Zoom naar zichtbaarheidsschaal

checkbox

checkbox

CRS instellen ►

checkbox

checkbox

CRS voor laag/groep instellen…

checkbox

checkbox

checkbox

Project-CRS van laag overnemen

checkbox

checkbox

CRS voor groep WMS-gegevens instellen…

checkbox

unchecked Gemeenschappelijk uitgesloten groep

checkbox

Selecteren en ook al zijn kinderen (Ctrl-klik)

checkbox

Deselecteren en ook al zijn kinderen (Ctrl-klik)

checkbox

Permanent maken

checkbox

Exporteren ►

checkbox

checkbox

checkbox

► Opslaan als…

checkbox

► Objecten opslaan als…

checkbox

► Geselecteerde objecten opslaan als…

checkbox

► Opslaan als Laag-definitiebestand…

checkbox

checkbox

checkbox

► Opslaan als QGIS Laagstijlbestand…

checkbox

checkbox

Stijlen ►

checkbox

checkbox

► Stijl kopiëren

checkbox

checkbox

► Stijl plakken

checkbox

checkbox

checkbox

► Toevoegen…

checkbox

checkbox

► Huidige hernoemen…

checkbox

checkbox

► Symbool bewerken…

checkbox

► Symbool kopiëren

checkbox

► Symbool plakken

checkbox

Eigenschappen…

checkbox

checkbox

Tabel: Contextmenu van items paneel Lagen

Voor vectorlagen van GRASS is toggleEditing Bewerken aan-/uitzetten niet beschikbaar. Bekijk het gedeelte Digitaliseren en bewerken van een GRASS vectorlaag voor informatie over het bewerken van vectorlagen van GRASS.

11.2.1.3. Interactie met groepen en lagen

Lagen in het venster Legenda kunnen in groepen worden ondergebracht. Er zijn twee manieren om dit te doen:

  1. Druk op het pictogram folder om een nieuwe groep toe te voegen. Typ een naam in voor de groep en druk op Enter. Klik nu op een bestaande laag en sleep die op de groep.

  2. Selecteer enkele lagen, klik met de rechter muisknop in het venster van de legenda en kies Geselecteerde groeperen. De geselecteerde lagen zullen automatisch aan de nieuwe groep worden toegevoegd.

Een laag uit een groep halen: sleep hem uit de groep of klik er met rechts op en kies Groep verlaten: de laag wordt verplaatst vanuit de groep en erboven geplaatst. Groepen kunnen ook binnen andere groepen worden genest. Als een laag in een geneste groep wordt geplaatst zal Groep verlaten de laag uit alle geneste groepen verplaatsen.

Een groep of laag naar de bovenkant van het paneel lagen verplaatsen: ofwel sleep het naar boven, of kies Verplaats naar bovenste. Als u deze optie gebruikt op een laag die is genest in een groep, wordt de laag verplaatst naar de bovenste plek in zijn huidige groep. De optie Naar beneden verplaatsen volgt dezelfde logica om lagen en groepen naar beneden te verplaatsen.

Het keuzevak voor een groep zal de geselecteerde lagen met één klik weergeven of verbergen. Met Ctrl ingedrukt zal het keuzevak ook alle lagen in de groep en zijn subgroepen in- of uitschakelen.

Ctrl-klik op een geselecteerde / niet-geselecteerde laag zal de laag en al zijn ouders deselecteren / selecteren.

Inschakelen van de optie Gemeenschappelijk uitgesloten groep betekent dat u er voor kunt zorgen dat slechts één laag per keer zichtbaar is. Wanneer een laag binnen de groep ingesteld is om zichtbaar te zijn zullen de andere als niet zichtbaar worden geschakeld.

Het is mogelijk om meer dan één laag of groep tegelijkertijd te selecteren door de Ctrl -toets vast te houden tijdens het klikken op aanvullende lagen. U kunt dan in een keer alles wat u geselecteerd heeft tegelijkertijd verplaatsen naar een nieuwe groep.

U kunt ook meer dan één laag of groep tegelijkertijd verwijderen door verscheidene items te selecteren met de Ctrl-toets en dan te drukken op de toetsencombinatie Ctrl+D, alle geselecteerde lagen of groepen verwijderd worden uit de lagenlijst.

11.2.1.3.1. Meer informatie over lagen en groepen met pictogram voor indicatie

Onder sommige omstandigheden verschijnen pictogrammen naast de laag of groep in het paneel Lagen om meer informatie te verschaffen over de laag/groep. Deze symbolen zijn:

  • toggleEditing om aan te geven dat de laag in de modus Bewerken staat en dat u de gegevens kunt aanpassen

  • editableEdits om aan te geven dat de bewerkte laag enkele niet opgeslagen wijzigingen heeft

  • indicatorFilter om aan te geven dat een filter is toegepast op de laag. Ga met de muis over het pictogram om de expressie voor het filter te zien en dubbelklik erop om de instelling bij te werken

  • indicatorNonRemovable om lagen te identificeren die vereist zijn in het project, dus niet te verwijderen

  • indicatorEmbedded om een ingebedde groep of laag te identificeren en het pad naar hun originele projectbestand

  • indicatorBadLayer om een laag te identificeren waarvan de gegevensbron niet beschikbaar was bij het openen van het projectbestand (zie Afhandelen defecte bestandspaden). Klik op het pictogram om het pad naar de bron bij te werken of selecteer het item Databron repareren… uit het contextmenu van de laag.

  • indicatorMemory om u er aan te herinneren dat de laag een tijdelijke tekenlaag is en dat de inhoud ervan zal worden genegeerd als u het project sluit, Klik op het pictogram om de laag op te slaan in een van de door QGIS ondersteunde vectorindelingen voor OGR om gegevensverlies te vermijden en de laag permanent te maken.

  • indicatorNoCRS om een laag te identificeren die geen/onbekend CRS heeft

  • indicatorTemporal om een laag van tijdbeheer te identificeren die wordt beheerd door een animatie van het kaartvenster

11.2.1.4. Vector laagstijl bewerken

Vanuit het paneel Lagen hebt u sneltoetsen om het renderen van de laag snel en eenvoudig te bewerken. Klik met rechts op een vectorlaag en selecteer Stijlen ► in de lijst om:

  • de huidige toegepaste stijlen op de laag te zien. Als u veel stijlen voor de laag hebt gedefinieerd, kunt u van de een naar de ander schakelen en zal het renderen van de laag automatisch worden bijgewerkt in het kaartvenster.

  • kopiëren van een deel van of de gehele huidige stijl en, indien van toepassing, een gekopieerde stijl uit een andere laag plakken

    Tip

    Snel een laagstijl delen

    Kopieer, vanuit het contextmenu, de stijl van een laag en plak die op een groep of een selectie van lagen: de stijl wordt toegepast op alle lagen die van hetzelfde type zijn (vector/raster) als de originele laag en, in het geval van vector, hebben hetzelfde type geometrie (punt, lijn of polygoon).

  • de huidige stijl te hernoemen, een nieuwe toe te voegen (wat in feite een kopie van de huidige is) of de huidige stijl te verwijderen (indien meerdere stijlen beschikbaar zijn).

Notitie

De eerdere opties zijn ook beschikbaar voor rasterlagen of lagen met mazen.

  • bijwerken van de symboolkleur met een Kleurenwiel. Gemakshalve zijn de recent gebruikte kleuren ook beschikbaar aan de onderzijde van het wiel.

  • Symbool bewerken…: open het dialoogvenster voor Symbool selecteren en wijzig het symbool van het object (symbool, grootte, kleur…).

Bij het gebruiken van een type symbologie voor classificatie (gebaseerd op Categorieën, Gradueel of Regel-gebaseerd), zijn de hiervoor vermelde opties voor symboolniveau’s beschikbaar in het contextmenu van het item Klasse. Ook worden de items toggleAllLayers Items schakelen, showAllLayers Alle items weergeven en hideAllLayers Alle items verbergen verschaft om te schakelen met de zichtbaarheid van de alle klassen van objecten. Deze vermijden het één voor één (de)selecteren van items.

Tip

Dubbelklikken op een blad van het klasseitem opent ook het dialoogvenster Symbool selecteren.

11.2.2. Paneel Laag opmaken

Het paneel Laag opmaken (ook in te schakelen met Ctrl+3) is een snelkoppeling voor enkele mogelijkheden van het dialoogvenster Laageigenschappen. Het verschaft een snelle en handige manier om het renderen en het gedrag van een laag te definiëren, en om de effecten daarvan te visualiseren, zonder het dialoogvenster Laageigenschappen te moeten openen.

Naast het vermijden van het blokkerende (of “modale”) dialoogvenster Laageigenschappen, vermijdt het paneel Laag opmaken ook het dichtslibben van het scherm met dialoogvensters, en bevat het de meeste functies voor opmaken (kleur kiezen, eigenschappen effecten, regel bewerken, vervangen van labels…): bijv., klikken op kleurknoppen in het paneel Laag opmaken zorgt er voor dat het dialoogvenster Kleur kiezen wordt geopend binnen het paneel Laag opmaken zelf in plaats van als een zelfstandig dialoogvenster.

Selecteer, vanuit een keuzelijst met huidige lagen in het paneel Lagen, een item en:

  • Stel, afhankelijk van het type laag, in:

    • de eigenschappen symbology Symbologie, transparency Transparantie, en rasterHistogram Histogram voor rasterlaag. Deze opties zijn dezelfde als in het Dialoogvenster Laageigenschappen.

    • de eigenschappen symbology Symbologie, labeling Labels, labelmask Masker en 3d 3D-weergave voor vectorlaag in. Deze opties zijn dezelfde als in Het dialoogvenster Vectoreigenschappen en kunnen worden uitgebreid met aangepaste eigenschappen, geïntroduceerd door plug-ins van derde partijen.

    • de eigenschappen symbology Symbologie en 3d 3D-weergave voor lagen met mazen. Deze opties zijn dezelfde als in Eigenschappen gegevensset met mazen.

  • Beheer de geassocieerde stijl(en) in de stylePreset Stijlmanager (meer details in Aangepaste stijlen beheren).

  • Volg de history Geschiedenis van door u toegepaste wijzigingen op de laagstijl in het huidige project; u kunt daar naar elke status terugkeren of die annuleren door het te selecteren in de lijst en te drukken op Apply.

Voor vectortegellagen is er een optie voor checkbox Alleen zichtbare regels. Dit is bijzonder nuttig als u alleen wilt werken met regels die vallen binnen het huidige zoomniveau van het kaartvenster.

Een andere krachtige mogelijkheid van dit paneel is het keuzevak checkbox Live bijwerken. Selecteer het om uw wijzigingen automatisch direct te renderen in het kaartvenster: U hoeft niet langer op de knop Apply te drukken.

../../../_images/layer_styling.png

Fig. 11.2 Symbologie voor een laag definiëren vanuit het paneel Laag opmaken

11.2.3. Paneel Laagvolgorde

Standaard worden lagen, die worden weergegeven in het kaartvenster van QGIS, getekend in de volgorde waarin zij in het paneel Lagen staan: hoe hoger een laag in het paneel staat, des te hoger (en daarom meer zichtbaar) het in de kaartweergave zal staan.

U kunt een volgorde voor het tekenen definiëren, onafhankelijk van de volgorde in het paneel Lagen, met het paneel Laagvolgorde ingeschakeld in het menu Beeld ► Panelen ► of met Ctrl+9. Selecteer checkbox Rendervolgorde controleren onder in de lijst met lagen en organiseer de lagen in het paneel zoals u dat wilt. Deze volgorde wordt die welke zal worden toegepast op het kaartvenster. Bijvoorbeeld: in Fig. 11.3 kunt u zien dat de objecten airports worden weergegeven boven de polygoon alaska, ondanks de respectievelijke plaatsing van die lagen in het paneel Lagen.

Uitschakelen van checkbox Rendervolgorde controleren zal het doen terugkeren naar het standaard gedrag.

../../../_images/layer_order.png

Fig. 11.3 Een laagvolgorde definiëren onafhankelijk van de legenda

11.2.4. Paneel Overzichtskaart

Het paneel Overzichtskaart (Ctrl+8) geeft een kaart weer met een weergave van het volledige bereik van enkele van de lagen. De Overzichtskaart wordt gevuld met de lagen die de optie Toon in overzichtskaart uit het menu Laag of die uit het contextmenu van de laag gebruiken. In de weergave geeft een rode rechthoek het huidige bereik van het kaartvenster aan, wat u helpt bij het snel bepalen van welk gebied van de gehele kaart u momenteel bekijkt. Als u klikt en sleept met de rode rechthoek in het frame van de overzichtskaart zal het bereik van het kaartvenster overeenkomstig worden bijgewerkt.

Onthoud dat labels niet worden gerenderd in de kaart van de overzichtskaart, zelfs niet als de gebruikte lagen voor de overzichtskaart zijn ingesteld voor labelen.

11.2.5. Paneel Logboekmeldingen

Bij het laden of verwerken van sommige bewerkingen kunt u berichten traceren en volgen die op de verschillende tabs verschijnen met het messageLog paneel Logboekmeldingen. Het kan worden geactiveerd met het meest rechts gelegen pictogram op de onderste statusbalk.

11.2.6. Paneel Ongedaan maken/Opnieuw

Voor elke laag die wordt bewerkt geeft het paneel Ongedaan maken/Opnieuw (Ctrl+5) de uitgevoerde acties weer, wat het mogelijk maakt snel een set acties ongedaan te maken door bovenstaande acties te selecteren. Meer details in bewerkingen Ongedaan maken en Opnieuw.

11.2.7. Paneel Statistisch overzicht

Het paneel Statistieken (Ctrl+6) verschaft overzichtsinformatie voor een vectorlaag. Dit paneel stelt u in staat te selecteren:

  • de vectorlaag waarvan de statistieken moeten worden berekend

  • de te gebruiken kolom of een expression expressie

  • de terug te geven statistieken met behulp van een keuzeknop aan de rechter onderkant van het dialoogvenster. Afhankelijk van het type veld (of waarden van de expressie) zijn de beschikbare statistieken:

Statistieken

Tekenreeks

Integer

Float

Datum

Aantal

checkbox

checkbox

checkbox

checkbox

Aantal (afzonderlijk)

checkbox

checkbox

Aantal (ontbrekende waarde)

checkbox

checkbox

checkbox

checkbox

Som

checkbox

checkbox

Gemiddelde

checkbox

checkbox

checkbox

Standaard afwijking

checkbox

checkbox

Standaard afwijking voor monster

checkbox

checkbox

Minimale waarde

checkbox

checkbox

checkbox

checkbox

Maximale waarde

checkbox

checkbox

checkbox

checkbox

Bereik

checkbox

checkbox

checkbox

Minderheid

checkbox

checkbox

checkbox

Meerderheid

checkbox

checkbox

checkbox

Variëteit

checkbox

checkbox

Eerste kwartiel

checkbox

checkbox

Derde kwartiel

checkbox

checkbox

Bereik tussen kwartielen

checkbox

checkbox

Minimumlengte

checkbox

Maximumlengte

checkbox

Gemiddelde lengte

checkbox

Tabel: Beschikbare statistieken voor elk type veld

Het statistisch overzicht kan worden:

  • teruggegeven voor de gehele laag of checkbox Alleen geselecteerde objecten

  • opnieuw berekend met de knop refresh wanneer de onderliggende gegevensbron wijzigt (bijv. nieuwe of verwijderde objecten/velden, aanpassingen van attributen)

  • editCopy gekopieerd naar het klembord en als een tabel worden geplakt in een andere toepassing

../../../_images/statistical_summary.png

Fig. 11.4 Statistieken voor een veld weergeven

11.3. Projecten in een project

Soms zou u sommige lagen in verschillende projecten willen behouden, maar met dezelfde stijl. U kunt ofwel zelf een standaardstijl voor deze lagen maken of ze inbedden vanuit een ander project om tijd en werk te besparen.

Ingebedde lagen en groepen vanuit een bestaand project heeft enkele voordelen boven stijl:

  • Alle typen lagen (vector of raster, lokaal of online…) kunnen worden toegevoegd

  • Ophalen van groepen en lagen, u kunt dezelfde boomstructuur behouden voor de “achtergrond”lagen in uw verschillende projecten

  • Hoewel ingebedde lagen zijn te bewerken, kunt u hun eigenschappen, zoals symbologie, labels, formulieren standaard waarden, acties, niet wijzigen wat zorgt voor consistentie tussen projecten

  • Pas de items in het originele project aan en wijzigingen worden doorgevoerd in alle andere projecten

Wanneer u inhoud van andere projectbestanden wilt inbedden in uw project, selecteer Kaartlagen ► Lagen en groepen inbedden:

  1. Klik op de knop om te zoeken naar een project: u kunt de inhoud van het project zien (bekijk Fig. 11.5)

  2. Houd Ctrl ( of osx Cmd) ingedrukt en klik op de lagen en groepen die u wilt ophalen

  3. Klik op OK

De geselecteerde lagen en groepen worden ingebed in het paneel Lagen en weergegeven in het kaartvenster. Een pictogram indicatorEmbedded wordt toegevoegd naast hun naam om ze te herkennen en daar overheen gaan met de muis laat een Helptip zien met het pad naar het originele projectbestand.

../../../_images/embed_dialog.png

Fig. 11.5 Lagen en groepen selecteren om in te bedden

Net als elke andere laag kan een ingebedde laag uit het project worden verwijderd door met rechts op de laag te klikken en te klikken op removeLayer Verwijderen.

Tip

Rendering van een ingebedde laag wijzigen

Het is niet mogelijk de rendering van een ingebedde laag te wijzigen, tenzij u de wijzigingen maakt in het originele projectbestand. Echter, met rechts klikken op een laag en selecteren van Dupliceren maakt een laag die alle objecten bevat en niet afhankelijk is van het originele project. U kunt dan veilig de gekoppelde laag verwijderen.

11.4. Werken met het kaartvenster

11.4.1. Renderen

QGIS zal standaard automatisch de zichtbare lagen opnieuw opbouwen, renderen, als het kaartvenster wordt vernieuwd. De gebeurtenissen die het verversen van het kaartvenster starten bevatten:

  • een laag toevoegen

  • verschuiven of in-/uitzoomen

  • wijzigen van de grootte van het venster van QGIS

  • wijzigen van de zichtbaarheid van een laag of lagen

QGIS geeft u op een aantal manieren controle over het proces van renderen.

11.4.1.1. Schaalafhankelijk renderen

Schaalafhankelijk renderen selt u in staat de minimum en maximum schalen in te stellen waarop een laag (raster of vector) zichtbaar zal zijn. Open het dialoogvenster Eigenschappen door te dubbelklikken op een laag in de legenda om schaalafhankelijk renderen in te stellen. Selecteer, op de tab Rendering, het keuzevak checkbox Schaalafhankelijke zichtbaarheid en voer de schaalwaarden Minimum (exclusief) en Maximum (inclusief) in.

U kunt het schaalafhankelijk renderen ook activeren op een laag vanuit het paneel Lagen. Klik met rechts op de laag en selecteer in het contextmenu, Zichtbaarheidsschaal laag instellen.

De knop mapIdentification Op huidige schaal kaartvenster instellen stelt u in staat de schaal van het huidige kaartvenster te gebruiken als grens voor de zichtbaarheid van het bereik.

Notitie

Wanneer een laag niet wordt gerenderd in het kaartvenster omdat de kaart buiten het bereik van de schaal van zijn zichtbaarheid valt, is de laag in het paneel Lagen uitgegrijsd en verschijnt een nieuwe optie Zoomen naar zichtbare schaal in het contextmenu van de laag. Selecteer die en de kaart wordt ingezoomd tot op zijn dichtstbijzijnde schaal van zichtbaarheid.

11.4.1.2. Controle over het renderen van de kaart

Renderen van het kaartvenster kan op verschillende manieren worden beheerd, zoals hieronder beschreven :

11.4.1.2.1. Uitstellen van het renderen

Klik op het keuzevak checkbox (Her)teken in de rechterbenedenhoek van de statusbalk om het renderen uit te stellen. Wanneer het keuzevak checkbox (Her)teken niet is geselecteerd, zal QGIS het kaartvenster niet opnieuw opbouwen bij de gebeurtenissen die beschreven zijn in Renderen. Voorbeelden voor wanneer u het opnieuw renderen wilt uitstellen bevatten:

  • toevoegen van veel kaartbladen en die van symbologie voorzien vóór het tekenen

  • toevoegen van een of meer grote lagen en instellen schaalafhankelijkheid vóór het tekenen

  • toevoegen van één of meer grote lagen en inzoomen tot een specifieke weergave vóór tekenen

  • elke combinatie van bovenstaande

Het weer selecteren van checkbox (Her)teken zal onmiddellijk het opnieuw opbouwen van het kaartvenster starten.

11.4.1.2.2. Instellen optie Laag toevoegen

U kunt een optie instellen om altijd nieuwe lagen te laden zonder ze te tekenen. Dit betekent dat de laag zal worden toegevoegd aan de kaart, maar het keuzevak voor de zichtbaarheid in de legenda is standaard uitgeschakeld. Kies, om deze optie in te stellen, de menuoptie Extra ► Opties ► en open de tab Rendering. Deselecteer het keuzevak checkbox Standaard zullen nieuw toegevoegde lagen aan de kaart direct worden afgebeeld. De zichtbaarheid van elke laag die hierna wordt toegevoegd, zal standaard uit staan in de legenda.

11.4.1.2.3. Het renderen stoppen

Druk op de ESC-toets om het tekenen van de kaart te stoppen. Dit zal het opnieuw tekenen van de kaart onderbreken waardoor de kaart slechts gedeeltelijk getekend is. Het kan even duren voordat het tekenen stopt na het indrukken van de ESC-toets.

11.4.1.2.4. Beïnvloeden van de kwaliteit van het renderen

QGIS heeft een optie waarmee de kwaliteit van het renderen kan worden beïnvloed. Kies de menuoptie Extra ► Opties, klik op de tab Rendering en (de)selecteer checkbox Maak de lijnen minder rafelig ten koste van de tijd die het tekenen kost.

11.4.1.2.5. Het renderen versnellen

Er zijn enkele instellingen die u in staat stellen de snelheid van het renderen te beïnvloeden. Kies de menuoptie Extra ► Opties en klik op de tab Rendering en selecteer of deselecteer de volgende keuzevakken:

  • checkbox Gebruik de cache voor het tekenen indien mogelijk om het renderen te versnellen.

  • checkbox Het gelijktijdig renderen van kaartlagen gebruik makende van meerdere CPU’s en selecteer dan checkbox Maximum CPU’s om te gebruiken.

  • De kaart rendert op de achtergrond in een afzonderlijke afbeelding en elke checkbox Kaart-update interval zal de inhoud van deze (niet op het scherm) afbeelding worden genomen om de zichtbare weergave op het scherm bij te werken. Als het renderen echter sneller is voltooid dan deze duur, zal het direct worden weergegeven.

  • Met checkbox Vereenvoudiging van objecten standaard inschakelen voor nieuw toegevoegde lagen vereenvoudigt u de geometrie van objecten (minder knopen) en als resultaat worden zij sneller weergegeven. Onthoud dat dit ook inconsistenties kan veroorzaken door het renderen.

11.4.2. Zoomen en verschuiven

Er zijn meerdere manieren om naar een gebied van interesse te zoomen of het te verschuiven. U kunt de werkbalk Kaartnavigatie gebruiken, de muis en het toetsenbord voor het kaartvenster en ook de menu-acties uit het menu Beeld en het contextmenu van de lagen in het paneel Lagen.

Pictogram

Label

Gebruik

Menu Beeld

Werkbalk Kaartnavigatie

Contextmenu laag

pan

Kaart verschuiven

Indien geactiveerd, klik met links ergens in het kaartvenster om de kaart te verschuiven naar de positie van de cursor. U kunt de kaart ook verschuiven door de linkermuisknop ingedukt te houden en over het kaartvenster te slepen.

checkbox

checkbox

zoomIn

Inzoomen

Indien geactiveerd, klik met links ergens in het kaartvenster om één niveau in te zoomen. De positie van de muiscursor zal het midden zijn van het ingezoomde gebied van interesse. U kunt ook inzoomen op een gebied door met de linkermuisknop een rechthoek te tekenen in het kaartvenster.

checkbox

checkbox

zoomOut

Uitzoomen

Indien geactiveerd, klik met links ergens in het kaartvenster om één niveau uit te zoomen. De positie van de muiscursor zal het midden zijn van het ingezoomde gebied van interesse. U kunt ook uitzoomen van een gebied door met de linkermuisknop een rechthoek te tekenen in het kaartvenster.

checkbox

checkbox

panToSelected

Kaart naar selectie verschuiven

De kaart naar de geselecteerde objecten van de actieve laag verschuiven.

checkbox

checkbox

zoomToSelected

Zoomen naar selectie

Naar de geselecteerde objecten van de actieve laag zoomen.

checkbox

checkbox

checkbox

zoomToLayer

Zoomen naar laag

Naar het bereik van de actieve laag zoomen.

checkbox

checkbox

checkbox

zoomFullExtent

Volledig zoomen

Naar het bereik van alle lagen in het project zoomen.

checkbox

checkbox

zoomLast

Zoomen naar laatste

De kaart naar het vorige bereik in de geschiedenis zoomen.

checkbox

checkbox

zoomNext

Zoomen naar volgende

De kaart naar het volgende bereik in de geschiedenis zoomen.

checkbox

checkbox

zoomActual

Zoomen naar eigen resolutie

De kaart naar een niveau zoomen waarbij één pixel van de actieve rasterlaag één schermpixel bedekt.

checkbox

checkbox

checkbox

Een Zoomfactor kan worden ingesteld in het Extra ► options Opties ► Kaartgereedschappen om het gedrag voor het opschal brengen tijdens zoomen te definiëren. Daar kunt u ook een lijst bekijken van Vooraf gedefinieerde schalen die beschikbaar zal zijn aan de onderzijde van het kaartvenster.

11.4.2.1. Met de muis over het kaartvenster

In aanvulling ophet gebruiken van de gereedschappen pan Verschuiven zoomIn Inzoomen en zoomOut Uitzoomen, hierboven beschreven, kunt u het muiswiel ingedrukt houden om binnen het kaartvenster de muiscursor te slepen (op macOS, dient u misschien de cmd-toets ingedrukt te houden). U kunt ook met het muiswiel rollen om in en uit te zoomen op de kaart. De positie van de muiscursor zal het midden zijn van het gebied waarop wordt gezoomd. Ingedrukt houden van de Ctrl-toets tijdens het rollen van het muiswiel resulteert in een fijnere zoom.

11.4.2.2. Met het toetsenbord over het kaartvenster

Ingedrukt houden van de spatiebalk op het toetsenbord en de muiscursor verplaatsen zal de kaart op dezelfde manier verschuiven als slepen met pan Verschuiven doet.

Verschuiven van de kaart is mogelijk met behulp van de pijltjestoetsen. Plaats de muiscursor in het kaartvenster en druk op de pijltjestoetsen om het kaartvenster naar boven, onder, links en rechts te verplaatsen.

De toetsen PgUp en PgDown van uw toetsenbord zorgen er voor dat de kaart wordt weergegeven, in- of uitgezoomd met de ingestelde zoomfactor. Drukken op Ctrl++ of Ctrl+- zorgt ook voor een directe zoom in/uit op het kaartvenster.

Indien bepaalde kaartgereedschappen actief zijn (Objecten identificeren, Meten…), kunt u een zoom uitvoeren door Shift ingedrukt te houden en een rechthoek te tekenen op de kaart om naar dat gebied te zoomen. Dit is niet ingeschakeld voor die kaartgereedschappen die gereedschappen selecteren (omdat die Shift gebruiken voor het toevoegen aan de selectie), of gereedschappen voor bewerken.

11.4.3. Favoriete plaatsen

Favoriete plaatsen stellen u in staat een “bladwijzer” te maken van een geografische locatie en daar later naar terug te keren. Standaard worden Favoriete plaatsen opgeslagen in het gebruikersprofiel (als Favoriete plaatsen Gebruiker), wat betekent dat zij beschikbaar zijn vanuit elk project dat de gebruiker opent. Zij kunnen ook worden opgeslagen voor één enkel project (genaamd Favoriete plaatsen Project) en opgeslagen in het projectbestand, wat nuttig kan zijn als het project moet worden gedeeld met andere gebruikers.

11.4.3.1. Favoriete plaats maken

Een favoriete plaats maken:

  1. Zoomen verschuiven naar het interessegebied.

  2. Selecteer de menuoptie Beeld ► newBookmark Nieuwe Favoriete plaats…, druk op Ctrl+B of klik met rechts op het item showBookmarks Favoriete plaatsen in het paneel Browser en selecteer Nieuwe Favoriete plaats. Het dialoogvenster Favoriete plaatsen bewerken opent.

    ../../../_images/bookmark_editor.png

    Fig. 11.6 Het dialoogvenster Favoriete plaatsen bewerken

  3. Voer een beschrijvende naam in voor de Favoriete plaats

  4. Voer een groepsnaam in of selecteer die waarin gerelateerde plaatsen moeten worden opgeslagen

  5. Selecteer het bereik van het gebied dat u wilt opslaan, met behulp van Selectie bereik; het bereik kan worden berekend vanuit een bereik van een geladen laag, het huidige kaartvenster of worden getekend op het huidige kaartvenster.

  6. Geef het te gebruiken CRS aan voor het bereik

  7. Selecteer of de Favoriete plaats moet worden Opgeslagen in Favoriete plaatsen Gebruiker of Favoriete plaatsen Project

  8. Druk op Save om de Favoriete plaats aan de lijst toe te voegen

Men kan meerdere favorieten onder dezelfde naam opslaan.

11.4.3.2. Werken met Favoriete plaatsen

U kunt, om Favoriete plaatsen te gebruiken en te beheren, ofwel het paneel Favoriete plaatsen of Browser gebruiken.

Selecteer Beeld ► showBookmarks Favoriete plaatsen beheren tonen of druk op Ctrl+7 om het paneel Favoriete plaatsen beheren weer te geven. Selecteer Beeld ► showBookmarks Favoriete plaatsen tonen of Ctrl+Shift+B om het item showBookmarks Favoriete plaatsen in het paneel Browser weer te geven.

U kunt de volgende taken uitvoeren:

Taak

Favoriete plaatsen beheren

Browser

Naar Favoriete plaats zoomen

Dubbelklik er op, of selecteer de Favoriete plaats en druk op de knop zoomToBookmark Naar Favoriete plaats zoomen.

Dubbelklik er op, sleep het naar het kaartvenster en zet het neer, of klik met rechts en selecteer zoomToBookmark Naar Favoriete plaats zoomen.

Een Favoriete plaats verwijderen

Selecteer de Favoriete plaats en klik op de knop deleteSelected Favoriete plaats verwijderen. Bevestig uw keuze.

Klik met rechts op de Favoriete plaats en selecteer deleteSelected Favoriete plaats verwijderen. Bevestig uw keuze.

Favoriete plaatsen exporteren naar XML

Klik op de knop sharing Favoriete plaatsen im-/exporteren en selecteer sharingExport Exporteren. Alle Favoriete plaatsen (gebruiker of project) worden opgeslagen in een XML-bestand.

Selecteer één of meer mappen (gebruiker of project) of submappen (groepen), en klik dan met rechts en selecteer sharingExport Favoriete plaatsen exporteren…. De geselecteerde subset van favoriete plaatsen wordt opgeslagen.

Favoriete plaatsen importeren vanuit XML

Klik op de knop sharing Favoriete plaatsen im-/exporteren en selecteer sharingImport Importeren. Alle Favoriete plaatsen in het XML-bestand worden geïmporteerd als Favoriete plaatsen Gebruiker

Klik met rechts op het item Favoriete plaatsen of één van zijn mappen (gebruiker of project) of submappen (groepen) om te bepalen waar de Favoriete plaatsen moeten worden geïmporteerd, selecteer dan sharingImport Favoriete plaatsen importeren. Indien uitgevoerd op het item Favoriete plaatsen, worden de Favoriete plaatsen toegevoegd aan Favoriete plaatsen Gebruiker.

Een Favoriete plaats bewerken

U kunt een Favoriete plaats wijzigen door zijn waarden in de tabel te veranderen. U kunt de naam, de groep, het bereik en of het al dan niet is opgeslagen in het project bewerken.

Klik met rechts op de gewenste Favoriete plaats en selecteer Favoriete plaatsen bewerken…. Favoriete plaatsen bewerken zal openen, en u staat stellen elk aspect van de Favoriete plaats opnieuw te definiëren alsof u het voor de eerste keer maakte.

U kunt de Favoriete plaats ook slepen-en-nneerzetten tussen mappen (gebruiker en project) en submappen (groepen).

U kunt ook naar Favoriete plaatsen zoomen door de naam van de Favoriete plaats te typen in de balk Lokaliseren.

11.4.4. Decoraties

Decoraties omvatten raster, Titellabel, label Copyright, afbeelding, noordpijl, schaalbalk en bereiken voor lay-outs. Ze worden gebruikt om de kaart te ‘decoreren’ door cartografische elementen toe te voegen.

11.4.4.1. Raster

addGrid Raster geeft de mogelijkheid om een coördinatenraster en annotaties van coördinaten toe te voegen aan het kaartvenster.

  1. Selecteer de menuoptie Beeld ► Decoraties ► Raster… om het dialoogvenster te openen.

    ../../../_images/grid_dialog.png

    Fig. 11.7 Dialoogvenster Raster

  2. Selecteer checkbox Raster inschakelen en stel de definitie voor het raster in overeenkomstig de geladen lagen in het kaartvenster:

    • Het Type grid: het kan zijn Lijn of Markering

    • Het geassocieerde Lijnsymbool of Markeringssymbool dat wordt gebruikt om de markeringen van het raster weer te geven

    • De Interval X en Interval Y tussen de markeringen van het raster, in kaarteenheden

    • Een afstand Verspringing X en Verspringing Y voor de markeringen van het raster, vanaf de linkerbenedenhoek van het kaartvenster, in kaarteenheden

    • De parameters interval en verspringing kunnen worden ingesteld, gebaseerd op de:

      • Kaartbereiken: maakt een raster met een interval die bij benadering 1/5 van de breedte van het kaartvenster is

      • resolutie van de Actieve rasterlaag

  3. Selecteer checkbox Annotatie tekenen om de coördinaten van de markeringen van het raster weer te geven en in te stellen:

    • De Annotatie richting, d.i. hoe de labels moeten worden geplaatst, relatief ten opzichte van hun rasterlijn. Het kan zijn:

      • Horizontaal of Verticaal voor alle labels

      • Horizontaal en Verticaal, d.i. elk label staat parallel aan de rastermarkering waarnaar het verwijst

      • Grens richting, d.i. elk label volgt de grens van het kaartvenster, en staat loodrecht op de rastermarkering waarnaar het verwijst

    • Het Lettertype annotatie (tekstopmaak, buffer, schaduw…) met de widget Selectie lettertype

    • De Afstand tot kaartvenster, marge tussen annotaties en grenzen van het kaartvenster. Handig bijvoorbeeld bij het exporteren van het kaartvenster naar een indeling voor een afbeelding of PDF, en vermijden dat annotaties op de grenzen van het “papier” staan.

    • De Coördinaat precisie

  4. Klik op Apply om te verifiëren of het eruit ziet zoals u verwachtte of op OK als u tevreden bent.

11.4.4.2. Titellabel

titleLabel Titellabel stelt u in staat uw kaart te decoreren met een Titel.

Een decoratie Titellabel toevoegen:

  1. Selecteer de menuoptie Beeld ► Decoraties ► Titellabel… om het dialoogvenster te openen.

    ../../../_images/titleLabel.png

    Fig. 11.8 Het dialoogvenster Titellabel-decoratie

  2. Zorg er voor dat het keuzevak checkbox Titellabel inschakelen is geselecteerd

  3. Voer de tekst voor de titel in die u op de kaart wilt plaatsen. U kunt het dynamisch maken met de knop Een expressie invoeren of bewerken….

  4. Kies het Lettertype voor het label met behulp van de widget Selectie lettertype met volledige toegang tot de opties van QGIS voor opmaken van tekst. Snel instellen van de kleur voor het lettertype en doorzichtbaarheid door te klikken op de zwarte pijl aan de rechterkant van het combinatievak.

  5. Selecteer de kleur die moet worden toegepast als de Kleur achtergrondbalk voor de titel

  6. Kies de Plaatsing van het label in het kaartvenster: opties zijn Linksboven, Centraal boven, Rechtsboven, Linksonder, Centraal onder, en Rechtsonder.

  7. Verfijn de plaatsing van het item door een horizontale en/of verticale Marge vanaf rand in te stellen. Deze waarden mogen zijn in Millimeter of Pixels of ingesteld als Percentage van de breedte of hoogte van het kaartvenster.

  8. Klik op Apply om te verifiëren of het eruit ziet zoals u verwachtte of op OK als u tevreden bent.

11.4.4.4. Decoratie Afbeelding

addImage Afbeelding geeft u de mogelijkheid om een afbeelding (logo, legenda, …) aan het kaartvenster toe te voegen.

Een afbeelding toevoegen

  1. Selecteer de menuoptie Beeld ► Decoraties ► Afbeelding… om het dialoogvenster te openen.

    ../../../_images/image_decoration.png

    Fig. 11.10 Het dialoogvenster Decoratie afbeelding

  2. Zorg er voor dat het keuzevak checkbox Afbeelding inschakelen is geselecteerd

  3. Selecteer een bitmap (bijv. png of jpg) of een afbeelding SVG met de knop Bladeren

  4. Als u een parameter hebt gekozen die SVG inschakelt, dan kunt u ook een keur voor Vuling of Lijn (omtrek) instellen. Voor afbeeldingen bitmap zijn de instellingen voor kleuren uitgeschakeld.

  5. Stel een Grootte in voor de afbeelding, in mm. De breedte van de geselecteerde afbeelding wordt gebruikt om het aan te passen naar de ingestelde Grootte.

  6. Kies waar u de afbeelding wilt plaatsen in het kaartvenster met het combinatievak Plaatsing. De standaardpositie is Linksboven.

  7. Stel de Marge vanaf rand Horizontaal en Verticaal in. Deze waarden kunnen worden ingesteld in Millimeters, Pixels of als een Percentage van de breedte of hoogte van het kaartvenster.

  8. Klik op Apply om te verifiëren of het eruit ziet zoals u verwachtte en op OK als u tevreden bent.

11.4.4.5. Noordpijl

northArrow Noordpijl geeft u de mogelijkheid om een noordpijl toe te voegen aan het kaartvenster.

Een noordpijl toevoegen:

  1. Selecteer de menuoptie Beeld ► Decoraties ► Noordpijl… om het dialoogvenster te openen.

    ../../../_images/north_arrow_dialog.png

    Fig. 11.11 Dialoogvenster Noordpijl

  2. Zorg er voor dat het keuzevak checkbox Noordpijl gebruiken geselecteerd is

  3. Wijzig, optioneel, de kleur en grootte, of kies een aangepaste SVG

  4. Wijzig, optioneel, de hoek of kies Automatisch om QGIS de richting te laten bepalen

  5. Kies, optioneel, de plaatsing uit het combinatievak Plaatsing

  6. Verfijn, optioneel, de plaatsing van de pijl door het instellen van een horizontale en/of verticale Marge vanaf rand. Deze waarden mogen zijn in Millimeter of Pixels of ingesteld als Percentage van de breedte of hoogte van het kaartvenster.

  7. Klik op Apply om te verifiëren of het eruit ziet zoals u verwachtte en op OK als u tevreden bent.

11.4.4.6. Schaalbalk

scaleBar Schaalbalk plaatst een eenvoudige schaalbalk in het kaartvenster. De stijl en de plaats kan worden aangepast evenals de labels van de Schaalbalk.

QGIS ondersteunt alleen het tonen van de schaal in dezelfde eenheid als die van de kaart. Dus als de eenheid van de CRS-en van uw project in meters zijn, kunt u niet een schaalbalk maken in feet. Zo kunt u ook geen schaalbalk in meters tonen wanneer de gebruikte kaart als eenheid decimale graden gebruikt.

Een schaalbalk toevoegen:

  1. Selecteer de menuoptie Beeld ► Decoraties ► Schaalbalk… om het dialoogvenster te openen.

    ../../../_images/scale_bar_dialog.png

    Fig. 11.12 Dialoogvenster Schaalbalk

  2. Zorg er voor dat het keuzevak checkbox Schaalbalk inschakelen is geselecteerd

  3. Kies de stijl in de keuzelijst Schaalbalkstijl selectString

  4. Selecteer de Schaalbalkkleur selectColor door een vulkleur te kiezen (standaard: zwart) en een kleur voor de omtrek (standaard: wit). De vulkleur en die van de omtrek van de schaalbalk kunnen doorzichtig worden gemaakt door te klikken op de pijl naar beneden, rechts van de invoer voor de kleur.

  5. Selecteer het lettertype voor de schaalbalk uit de keuzelijst Lettertype van balk selectString

  6. Stel de Grootte van de balk selectNumber in

  7. Optioneel, selecteer checkbox Afronden op gehele getallen tijdens het wijzigen van kaartgrootte om waarden weer te geven die gemakkelijk te lezen zijn

  8. Kies de plaatsing met de keuzelijst Plaatsing selectString

  9. U kunt de plaatsing van het item verfijnen door een horizontale en/of verticale Marge vanaf rand in te stellen. Deze waarden mogen zijn in Millimeter of Pixels of ingesteld als Percentage van de breedte of hoogte van het kaartvenster.

  10. Klik op Apply om te verifiëren of het eruit ziet zoals u verwachtte of op OK als u tevreden bent.

11.4.4.7. Bereiken lay-out

addMap Bereiken lay-out voegt de bereiken van de kaartitem(s) in afdruklay-out(s) toe aan het kaartvenster. Indien ingeschakeld worden bereiken van alle kaartitems in alle afdruklay-outs weergegeven met een licht gestippelde rand, gelabeld met de naam van de afdruklay-out en het kaartitem. U kunt de stijl en het labelen van de weergegeven bereiken van de lay-out beheren. Deze decoratie is nuttig als u de plaatsing van kaartelementen, zoals labels, aanpast en de feitelijke zichtbare plaats van afdruklay-outs moet weten.

../../../_images/decoration_layoutextents_example.png

Fig. 11.13 Voorbeeld van bereiken van lay-out, weergegeven in een project van QGIS met twee afdruklay-outs. De afdruklay-out ‘Sights’ bevat twee kaartitems, terwijl de andere lay-out één kaartitem bevat.

Bereik(en) lay-out toevoegen:

  1. Selecteer Beeld ► Decoraties ► Bereiken lay-out om het dialoogvenster te openen

    ../../../_images/decoration_layoutextents.png

    Fig. 11.14 Het dialoogvenster Bereiken lay-out

  2. Zorg er voor dat het keuzevak checkbox Bereiken lay-out weergeven geselecteerd is.

  3. Wijzig, optioneel, de symbolen en het labelen van de bereiken.

  4. Klik op Apply om te verifiëren of het eruit ziet zoals u verwachtte en op OK als u tevreden bent.

Tip

Instellingen decoraties

Wanneer u een project van QGIS opslaat, zullen de wijzigingen, die u hebt gemaakt aan raster, noordpijl, schaalbalk, label Copyright en bereiken van lay-out, worden opgeslagen in het projectbestand en worden teruggezet als u het project een volgende keer opent.

11.4.5. Gereedschappen voor annotatie

Annotaties zijn informatie die wordt toegevoegd aan het kaartvenster en wordt weergegeven in een ballon. Deze informatie kan van verschillende typen zijn en annotaties worden toegevoegd met de corresponderende gereedschappen op de werkbalk Attributen:

../../../_images/custom_annotation.png

Fig. 11.15 Aangepast Qt Designer formulier voor annotatie

Selecteer, om een annotatie toe te voegen, het overeenkomende gereedschap en klik in het kaartvenster. Een lege ballon wordt toegevoegd. Dubbelklik er op en een dialoogvenster met verschillende opties opent. Dit dialoogvenster is nagenoeg hetzelfde voor alle typen annotatie:

  • Bovenin een bestandsselectie om te vullen met het pad naar een bestand html, svg of ui, afhankelijk van het type annotatie. Voor tekst-annotatie kunt u uw bericht in een tekstvak invoeren en het renderen ervan instellen met de normale gereedschappen voor lettertypen.

  • checkbox Vaste positie op kaart: indien niet geselecteerd wordt de ballon geplaatst op een positie in het scherm (in plaats van op de kaart), wat betekent dat het altijd zal worden weergegeven, ongeacht het bereik van het kaartvenster.

  • Gekoppelde laag: associeert de annotatie met een laag op de kaart en zal zij alleen zichtbaar zijn als die laag zichtbaar is.

  • Kaartmarkering: met symbolen van QGIS, stelt het weer te geven symbool in op de ankerpositie van de ballon (alleen weergegeven als Vaste positie op de kaart is geselecteerd).

  • Randstijl: stelt de achtergrondkleur voor het frame, transparantie, lijnkleur of breedte van de ballon in met symbolen van QGIS.

  • Marges voor de inhoud: stelt de interne marges voor het frame van de annotatie in.

../../../_images/annotation.png

Fig. 11.16 Dialoogvenster Tekst-annotatie

Annotaties kunnen worden geselecteerd als een gereedschap voor annotaties is ingeschakeld. Zij kunnen dan worden verplaatst van de positie op de kaart (door te slepen aan de kaartmarkering) of door alleen de ballon te verplaatsen. Het gereedschap annotation Annotatie verplaatsen stelt u ook in staat de ballon in het kaartvenster te verplaatsen.

Een annotatie verwijderen: selecteer het en ofwel druk op de toets Del of Backspace, of dubbelklik er op en druk op de knop Verwijderen in het dialoogvenster Eigenschappen.

Notitie

Als u drukt op Ctrl+T terwijl een gereedschap Annotatie actief is (Annotatie verplaatsen, Tekst-annotatie, Formulier-annotatie), dan wisselt het item van zichtbaar naar onzichtbaar en andersom.

Tip

De kaart opmaken met annotaties

U kunt annotaties met uw kaart afdrukken of exporteren naar verschillende indelingen met:

  • gereedschappen voor het exporteren van het kaartvenster, beschikbaar in het menu Project

  • afdruklay-out, in welk geval u dient te selecteren Kaartvenster objecten tekenen in de overeenkomende eigenschappen van items

11.4.6. Meten

11.4.6.1. Algemene informatie

QGIS heeft vier manieren voor het meten van geometrieën:

  • interactieve meetgereedschappen measure

  • meten in de calculateField Veldberekening

  • afgeleide metingen in het gereedschap Objecten identificeren

  • het vector analysegereedschap: Vector ► Geometrie-gereedschappen ► Attributen voor geometrie toevoegen

Meten werkt binnen geprojecteerde coördinatensystemen (bijv. UTM) en niet geprojecteerde gegevens. De eerste drie gereedschappen voor meten gedragen zich gelijk aan de globale projectinstellingen:

  • Anders dan in de meest toepassingen voor GIS is ellipsoïde de standaard voor metrisch meten, met de ellipsoïde die is gedefinieerd in Project ► Eigenschappen… ► Algemeen. Dat is zo, zowel wanneer geografische als geprojecteerde coördinatensystemen zijn gedefinieerd voor het project.

  • Indien u het geprojecteerde/planimetrische gebied of afstand wilt berekenen met behulp van Cartesiaanse rekenkunde, dient de ellipsoïde voor het meten te zijn ingesteld op “None/Planimetric” (Project ► Eigenschappen… ► Algemeen). Echter, met een geografisch (d.i. niet geprojecteerd) CRS, gedefinieerd voor de gegevens en het project, zullen metingen van het gebied en afstand ellipsoïde zijn.

Echter, noch het gereedschap Objecten identificeren noch Veldberekening zullen uw gegevens, vóór het meten, transformeren naar het CRS van het project. Indien u dit wilt bereiken dient u het vector analysegereedschap te gebruiken: Vector ► Geometrie-gereedschappen ► Attributen voor geometrie toevoegen…. Hier zijn metingen standaard planimetrisch, tenzij u voor ellipsoïde meten kiest.

11.4.6.2. Lengte, gebieden en hoeken interactief meten

Klik op het pictogram measure op de werkbalk Attributen om het meten te beginnen. De pijl naar beneden nabij het pictogram schakelt tussen gereedschap om measure lengte, measureArea gebied of measureAngle hoek te meten. De standaardeenheid die in het dialoogvenster wordt gebruikt is die welke is ingesteld in het menu Project ► Eigenschappen… ► Algemeen.

Notitie

Meetgereedschap configureren

Bij het meten van lengte of gebied opent klikken op de knop Configuratie aan de onderzijde van het widget het menu Extra ► Opties ► Kaartgereedschap, waar u de kleur van het elastiek, de precisie van de metingen en het gedrag van de eenheid kunt selecteren. U kunt ook de door u bij voorkeur gewenste maat- of hoekeenheden kiezen, maar onthoud dat deze waarden in het huidige project worden overschreven door de selectie die wordt gemaakt in het menu Project ► Eigenschappen… ► Algemeen en de selectie die wordt gemaakt in het widget Meten.

Alle modules voor meten gebruiken de instellingen voor snappen uit de module Digitaliseren (zie gedeelte Het instellen van de toleranties voor snappen en Zoekradius). Dus, als u nauwkeurig langs een object lijn wilt meten of rondom een object polygoon, zet dan eerst voor een laag de tolerantie voor het snappen in. Nu zal bij het gebruiken van het meetgereedschap bij elke muisklik (wanneer deze zich binnen ingestelde tolerantie bevindt) naar die laag worden gesnapt.

Standaard meet measure Lijn meten: echte afstanden tussen opgegeven punten overeenkomstig een gedefinieerde ellipsoïde. Het gereedschap stelt u dan in staat om op punten in de kaart te klikken. Elke lengte van een segment, als ook het totaal, wordt weergegeven in het venster Meten. Klik met de rechtermuisknop om het meten te stoppen. Nu is het mogelijk al uw metingen voor lijnen in één keer te kopiëren naar het klembord met de knop Alles kopiëren.

Onthoud dat u de keuzelijst nabij het totaal kunt gebruiken om interactief de maateenheden te wijzigen tijdens het werken met het gereedschap Meten (‘Meters’, ‘Kilometers’, ‘Voet’, ‘Yards’, ‘Mijlen’, ‘Zeemijlen’, ‘Centimeters’, ‘Millimeters’, ‘Graden’, ‘Kaarteenheden’). Deze eenheid wordt voor de widget behouden totdat een nieuw project wordt gemaakt of een ander project wordt geopend.

Het gedeelte Info in het dialoogvenster verklaart hoe berekeningen worden gemaakt, overeenkomstig de beschikbare instellingen van het CRS.

../../../_images/measure_line.png

Fig. 11.17 Afstanden meten

measureArea Gebied meten: Gebieden kunnen ook worden gemeten. In het venster Meten verschijnt de geaccumuleerde grootte van het gebied. Klik met rechts om te stoppen met meten. Het gedeelte Info is ook beschikbaar, evenals de mogelijkheid om te schakelen tussen de verschillende eenheden voor gebieden (‘Vierkante meters’, ‘Vierkante kilometers’, ‘Vierkante voet’, ‘Vierkante yards’, ‘Vierkante mijlen’, ‘Hectaren’, ‘Acres’, ‘Vierkante centimeters’, ‘Vierkante millimeters’, ‘Vierkante zeemijlen’, ‘Vierkante graden’, ‘Kaarteenheden’).

../../../_images/measure_area.png

Fig. 11.18 Gebied meten

measureAngle Hoek meten: U kunt ook hoeken opmeten. De muisaanwijzer verandert in een kruis. Klik om het eerste segment te tekenen van de hoek die u wilt opmeten, verplaats dan de cursor om de gewenste hoek te tekenen. De meting wordt getoond in een pop-up dialoogvenster.

../../../_images/measure_angle.png

Fig. 11.19 Hoek meten

11.5. Werken met objecten

11.5.1. Objecten selecteren

QGIS verschaft verscheidene gereedschappen om objecten in het kaartvenster te selecteren. Gereedschappen om te selecteren zijn beschikbaar in het menu Bewerken ► Selecteren of op de werkbalk Selectie.

Notitie

Gereedschappen om te selecteren werken op de huidige actieve laag.

11.5.1.1. Handmatig in het kaartvenster selecteren

U kunt een van de volgende gereedschappen gebruiken om één of meer objecten met de muis te selecteren:

  • selectRectangle Objecten selecteren per gebied of met een enkele klik

  • selectPolygon Objecten met een polygoon selecteren

  • selectFreehand Objecten selecteren door er overheen te tekenen

  • selectRadius Objecten met een cirkel selecteren

Notitie

Anders dan selectPolygon Objecten met een polygoon selecteren, stellen deze gereedschappen voor handmatig selecteren u in staat object(en) in het kaartvenster te selecteren met één enkele klik.

Notitie

Gebruik het gereedschap selectPolygon Objecten met een polygoon selecteren om een bestaand object polygoon (uit elke laag) te gebruiken om overlappende objecten op de actieve laag te selecteren. Klik met rechts in de polygoon en kies het in het contextmenu dat een lijst weergeeft van alle polygonen die het aangeklikte punt bevatten. Alle overlappende objecten van de actieve laag worden geselecteerd.

Tip

Gebruik het gereedschap Bewerken ► Selecteren ► Objecten opnieuw selecteren om uw eerdere selectie opnieuw te selecteren. Heel nuttig als u per ongeluk een selectie hebt gemaakt, en dan ergens anders klikt en uw selectie leegmaakt.

Ingedrukt houden van Shift of Ctrl, tijdens het gebruiken van het gereedschap selectRectangle Object(en) selecteren, schakelt of een object is geselecteerd (d.i. ofwel voegt het aan de huidige selectie toe of verwijdert het daar uit).

Voor de andere gereedschappen kan ander gedrag worden uitgevoerd door ingedrukt te houden:

  • Shift: objecten toevoegen aan de huidige selectie

  • Ctrl: objecten verwijderen uit de huidige selectie

  • Ctrl+Shift: kruisen met huidige selectie, d.i. alleen overlappende objecten uit de huidige selectie behouden

  • Alt: objecten selecteren die volledig binnen de vorm van de selectie liggen. Gecombineerd met de toetsen Shift of Ctrl kunt u objecten aan de huidige selectie toevoegen of er uit verwijderen.

11.5.1.2. Automatisch selecteren

De andere gereedschappen voor selecteren, waarvan de meeste beschikbaar zijn vanuit de Attributentabel, voeren een selectie uit die is gebaseerd op een attribuut van het object of de status van zijn selectie (onthoud dat attributentabel en kaartvenster dezelfde informatie weergeven, dus als u een object selecteert in de attributentabel, zal het ook worden geselecteerd in het kaartvenster):

  • expressionSelect Objecten selecteren met reguliere expressie… stelt de gebruiker in staat objecten te selecteren met een dialoogvenster voor expressies.

  • formSelect Objecten selecteren d.m.v. waarde… of door te drukken op F3

  • deselectAll Objecten uit alle lagen deselecteren of druk op Ctrl+Alt+A om alle geselecteerde objecten in alle lagen te deselecteren

  • deselectActiveLayer Objecten deselecteren van huidige actieve laag of druk op Ctrl+Shift+A

  • selectAll Alle objecten selecteren of druk op Ctrl+A om alle objecten op de huidige laag te selecteren

  • invertSelection Selectie van objecten omdraaien om de selectie van de huidige laag om te draaien

  • algorithmSelectLocation Selecteren op plaats om objecten te selecteren, gebaseerd op hun ruimtelijke relatie met andere objecten (op dezelfde of een andere laag - zie Selecteren op plaats)

Als u bijvoorbeeld regions wilt zoeken die boroughs zijn uit regions.shp van de voorbeeldgegevens van QGIS, kunt u:

  1. Het pictogram expressionSelect Objecten selecteren met een expressie gebruiken

  2. Vergroot de groep Velden en waarden

  3. Dubbelklik op het veld dat u wilt bevragen (“TYPE_2”)

  4. Klik op Alle unieke in het paneel dat aan de rechterkant open gaat

  5. Dubbelklik, in de lijst, op ‘Borough’. Schrijf in het bewerkingsveld Expressie de volgende query:

    "TYPE_2"  =  'Borough'
    
  6. Klik op Objecten selecteren

Vanuit het dialoogvenster Expressiebouwer kunt u ook Functielijst ► Recent (Selectie) gebruiken om een selectie te maken die u al eerder hebt gebruikt. Het dialoogvenster onthoudt de laatste 20 gebruikte expressies. Bekijk Expressies voor meer informatie en voorbeelden.

Tip

Uw selectie opslaan in een nieuw bestand

Gebruikers kunnen geselecteerde objecten opslaan in een Tijdelijke tekenlaag of een Nieuwe vectorlaag met behulp van Bewerken ► Objecten kopiëren en Bewerken ► Plak objecten als in de gewenste indeling.

11.5.1.3. Objecten selecteren d.m.v. waarde

Dit gereedschap voor selecteren opent het objectformulier van de laag wat de gebruiker in staat stelt in elk veld te zoeken, of het zoeken hoofdlettergevoelig moet zijn en de bewerking die moet worden gebruikt, Het gereedschap heeft ook automatisch invullen, automatisch vullen van het zoekvak met bestaande waarden.

../../../_images/select_by_value.png

Fig. 11.20 Objecten met behulp van dialoogvenster Formulier selecteren/filteren

Naast elk veld staat een keuzelijst met de opties om het zoekgedrag te beheren:

Optie zoekveld

Tekenreeks

Numeriek

Datum

Veld uitsluiten bij het zoeken

checkbox

checkbox

checkbox

Is gelijk aan (=)

checkbox

checkbox

checkbox

Niet gelijk aan (≠)

checkbox

checkbox

checkbox

Groter dan (>)

checkbox

checkbox

Kleiner dan (<)

checkbox

checkbox

Groter dan of is gelijk aan (≥)

checkbox

checkbox

Kleiner dan of is gelijk aan (≤)

checkbox

checkbox

Tussen (inclusief)

checkbox

checkbox

Niet tussen (inclusief)

checkbox

checkbox

Bevat

checkbox

Bevat niet

checkbox

Ontbreekt (null)

checkbox

checkbox

checkbox

Ontbreekt niet (niet null)

checkbox

checkbox

checkbox

Begint met

checkbox

Eindigt op

checkbox

Voor vergelijkingen van tekenreeksen is het ook mogelijk om de optie checkbox Hoofd-/kleine letters te gebruiken.

Klik, na het instellen van alle opties voor het zoeken, op Objecten selecteren om de overeenkomende objecten te selecteren. De opties voor de keuzelijst zijn:

  • Objecten selecteren

  • Voeg toe aan huidige selectie

  • Uit huidige selectie verwijderen

  • Huidige selectie filteren

U kunt ook alle opties voor het zoeken opschonen met de knop Formulier herstellen.

Als de voorwaarden eenmaal zijn ingesteld, kunt u ook ofwel:

  • Naar objecten zoomen zonder eerst te hebben geselecteerd

  • Flitsmogelijkheden, de overeenkomende objecten accentueren. Dit is een handige manier om een object te identificeren zonder selectie of het gereedschap Objecten identificeren te gebruiken. Onthoud dat de flitsmogelijkheden niet het bereik van het kaartvenster wijzigen en het zal alleen zichtbaar zijn als het object binnen de grenzen van het huidige kaartvenster valt.

11.5.2. Objecten identificeren

Het gereedschap Objecten identificeren stelt u in staat interactief te zijn met het kaartvenster en informatie over objecten te verkrijgen in een pop-upvenster. Gebruik, om objecten te identificeren:

  • Beeld ► Objecten identificeren

  • Ctrl+Shift+I (of osx Cmd+Shift+I),

  • pictogram identify Objecten identificeren op de werkbalk Attributen

11.5.2.1. Gebruiken van het gereedschap Objecten identificeren

QGIS biedt verscheidene manieren om objecten te identificeren met het gereedschap identify Objecten identificeren:

  • klik met links zal objecten identificeren overeenkomstig de modus voor selectie en het masker voor selectie dat is ingesteld in het paneel Identificatieresultaten

  • klik met rechts met Object(en) identificeren als ingestelde modus voor selectie in het paneel Identificatieresultaten haalt alle gevangen objecten op vanaf alle zichtbare lagen. Dit opent een contextmenu dat de gebruiker in staat stelt om de objecten meer nauwkeuriger te identificeren of de actie die op die objecten moet worden uitgevoerd te kiezen.

  • klik met rechts met Objecten met een polygoon selecteren als ingestelde modus voor selectie in het paneel Identificatieresultaten identificeert de objecten die overlappen met de gekozen bestaande polygoon, overeenkomstig het masker voor selectie dat is ingesteld in het paneel Identificatieresultaten

Tip

De lagen filteren om te bevragen met het gereedschap Objecten identificeren

Deselecteer, onder Service-mogelijkheden (capabilities) laag in Project ► Eigenschappen… ► Databronnen, de kolom Identificeerbaar naast een laag om te voorkomen dat die wordt bevraagd bij het gebruiken van het gereedschap identify Objecten identificeren in een andere modus dan Huidige laag. Dit is een handige manier om alleen gegevens terug te krijgen van lagen die voor u van belang zijn.

Wanneer u op object(en) klikt, dan zal Identificatieresultaten een overzicht geven van de informatie over de/het geselecteerde object(en). De standaardweergave is een boomweergave waarbij het eerste item de naam is van de laag en de kinderen daarvan zijn de geïdentificeerde object(en). Elk object wordt beschreven door de naam van een veld met de waarde daarvan. Dat veld is het veld dat is geselecteerd in Laageigenschappen ► Tonen. Daarna wordt alle informatie van het object getoond.

11.5.2.2. Informatie over objecten

Het dialoogvenster Identificatieresultaten kan worden aangepast om aangepaste velden te tonen, maar het zal standaard de volgende informatie weergeven:

  • De weergavenaam van het object;

  • Acties: Acties kunnen worden toegevoegd aan het venster Identificatieresultaten. De actie wordt uitgevoerd door te klikken op het label van de actie. Standaard wordt slechts één actie toegevoegd, namelijk het weergeven van het formulier Object bekijken om te bewerken. U kunt meer acties definiëren in het dialoogvenster Laageigenschappen (zie Acties).

  • Afgeleid: Deze informatie wordt berekend of afgeleid uit andere informatie. Het omvat:

    • algemene informatie over de geometrie van het object:

      • afhankelijk van het type geometrie, de Cartesiaanse metingen van lengte, omtrek of gebied in de eenheden van het CRS voor de laag. Voor 3D-lijnvectors is de Cartesiaanse lijnlengte beschikbaar.

      • afhankelijk van het type geometrie en of een ellipsoïde is ingesteld in het dialoogvenster voor projecteigenschappen voor Meten, de ellipsoïde waarden voor lengte, omtrek of gebied met de gespecificeerde eenheden

      • het aantal delen van de geometrie in het object en het nummer van het aangeklikte deel

      • het aantal punten in het object

    • informatie over coördinaten, met de instellingen de van de projecteigenschappen Coördinaat weergeven:

      • waarden voor X- en Y-coördinaten van het aangeklikte punt

      • het nummer van het dichtstbijgelegen punt ten opzichte van het aangeklikte punt

      • waarden X- en Y-coördinaten van het dichtstbijzijnde punt (en Z/M indien van toepassing)

      • als u klikt op een gebogen segment wordt de straal van dat gedeelte ook weergegeven.

  • Attributen gegevens: Dit is de lijst met attribuutvelden en de waarden daarvan voor het object waarop werd geklikt.

  • informatie over het gerelateerde kindobject wanneer u een relatie hebt gedefinieerd:

    • de naam van de relatie

    • het item in het verwijzingsveld, bijv. de naam van het gerelateerde kindobject

    • Acties: vermeld acties die zijn gedefinieerd in het dialoogvenster Laag-eigenschappen (zie Acties) en de standaardactie is Formulier object bekijken.

    • Attributen gegevens: Dit is de lijst met attribuutvelden en de waarden daarvan voor het gerelateerde kindobject.

Notitie

Op koppelingen in attributen van de objecten kan worden geklikt vanuit het paneel Identificatieresultaten en zullen openen in uw standaard webbrowser.

../../../_images/identify_features.png

Fig. 11.21 Dialoogvenster Identificatieresultaten

11.5.2.3. Het dialoogvenster Identificatieresultaten

Aan de bovenkant van het venster staan een handvol gereedschappen:

  • formView Formulier object bekijken van het huidige object

  • expandTree Boom uitklappen

  • collapseTree Boom inklappen

  • expandNewTree Nieuwe resultaten standaard uitklappen om te definiëren of de informatie van het volgende geïdentificeerde object zou moeten worden in- of uitgeklapt

  • deselectAll Resultaat wissen

  • editCopy Geselecteerde rijen naar klembord kopiëren

  • filePrint Geselecteerde HTML antwoord afdrukken

  • te gebruiken modus voor selectie om te identificeren objecten op te halen:

    • identifyByRectangle Object(en) identificeren

    • identifyByPolygon Objecten met een polygoon identificeren

    • identifyByFreehand Objecten identificeren door er overheen te tekenen

    • identifyByRadius Objecten met een cirkel identificeren

    Notitie

    Bij het gebruiken van identifyByPolygon Objecten met een polygoon identificeren kunt u met rechts klikken op een bestaande polygoon en die gebruiken om overlappende objecten op een andere laag te identificeren.

Aan de onderzijde van het venster staan de combinatievakken Modus en Weergave. Modus definieert van welke lagen objecten zouden moeten worden geïdentificeerd:

  • Huidige laag: alleen objecten van de geselecteerde laag worden geïdentificeerd. De laag hoeft niet zichtbaar te zijn in het kaartvenster.

  • Van bovenaf, stop bij eerste: alleen objecten van de bovenste zichtbare laag.

  • Van bovenaf: alle objecten uit de zichtbare lagen. De resultaten worden in het paneel weergegeven.

  • Laagselectie: opent een contextmenu waar de gebruiker de laag selecteert van waarop de objecten moeten worden geïdentificeerd, soortgelijk als een klik met rechts. Alleen de gekozen objecten zullen in het paneel met resultaten worden weergegeven.

De Weergave kan worden ingesteld als Boom, Tabel of Grafiek. Weergaven ‘Tabel’ en ‘Grafiek’ kunnen alleen worden ingesteld voor rasterlagen.

Het gereedschap Objecten identificeren stelt u ook in staat om checkboxAutomatisch formulier openen voor resultaten met enkele objecten te gebruiken, te vinden onder options Instellingen Objecten identificeren. Indien geselecteerd zal, elke keer als één enkel object is geïdentificeerd, een formulier worden weergeven dat de attributen weergeeft. Dit is een handige manier om snel de attributen van een object te bewerken.

Andere functies kunnen worden gevonden in het contextmenu van het geïdentificeerde item. Vanuit het contextmenu kunt u bijvoorbeeld:

  • Het formulier Object bekijken

  • Naar object inzoomen

  • Kopieer object: Kopieer alle geometrie en attributen van het object

  • Object selecteren aan/uit: Voegt geïdentificeerde object toe aan selectie

  • Attribuutwaarde kopiëren: Kopieert alleen de waarde van het attribuut waar u op klikt

  • Objectattributen kopiëren: Kopieert de attributen van het object

  • Wis resultaat: Het scherm Identificatieresultaten wordt leeggemaakt

  • Wis accentueren: Verwijdert objecten die geaccentueerd waren op de kaart

  • Alles accentueren

  • Laag accentueren

  • Activeer laag: Kies een laag die moet worden geactiveerd

  • Laageigenschappen: Opent het menu Laageigenschappen

  • Alles uitklappen

  • Alles inklappen

11.6. Laageigenschappen opslaan en delen

11.6.1. Aangepaste stijlen beheren

Wanneer een vectorlaag wordt toegevoegd aan het kaartvenster, gebruikt QGIS standaard een willekeurig symbool/kleur om de objecten daarvan te renderen. U kunt echter een standaard symbool instellen in Project ► Eigenschappen… ► Standaard stijlen dat zal worden toegepast op elke nieuw toegevoegde laag, overeenkomstig het type geometrie.

Maar meestal zult u echter de voorkeur hebben voor een aangepaste en meer complexe stijl die automatisch of handmatig kan worden toegepast op de lagen (met minder inspanningen). U kunt dit bereiken met het menu Stijl aan de onderzijde van het dialoogvenster Laageigenschappen. Dit menu verschaft u functies om stijlen te maken, te laden en te beheren.

Een stijl bevat alle informatie die is ingesteld in het dialoogvenster Laageigenschappen om te renderen of voor de interactie met de laag (inclusief instellingen voor symbologie, labelen, definities voor velden en formulieren, acties, diagrammen…) voor vectorlagen, of de pixels (band of renderen van de kleur, transparantie, piramiden, histogram …) voor rasters.

../../../_images/style_combobox.png

Fig. 11.22 Opties combinatievak Vectorlaagstijl

Standaard wordt de stijl, die wordt toegepast op een geladen laag, standaard genoemd. Als u eenmaal de ideale en toepasselijke rendering voor uw laag heeft, kunt u die opslaan door te klikken op het combinatievak selectString Stijl en kiezen:

  • Huidige hernoemen: De actieve stijl wordt hernoemd en bijgewerkt naar de huidige opties

  • Toevoegen: Een nieuwe stijl wordt gemaakt met behulp van de huidige opties. Standaard zal die worden opgeslagen in het projectbestand van QGIS. Zie hieronder om de stijl in een ander bestand of een database op te slaan

  • Verwijderen: Verwijder een niet langer gewenste stijl, voor het geval u meer dan één stijl hebt gedefinieerd voor de laag.

Onder in de keuzelijst van Stijl ziet u de ingestelde stijlen voor de laag en de actieve is geselecteerd.

Onthoud dat elke keer dat u het dialoogvenster Laageigenschappen valideert, de actieve stijl wordt bijgewerkt met de wijzigingen die u heeft gemaakt.

U mag net zoveel stijlen maken als u wilt voor een laag, maar er kan er slechts één per keer actief zijn. Gecombineerd met Kaartthema’s, biedt dit een snelle en krachtige manier om complexe projecten met een paar lagen te beheren, zonder de noodzaak om een laag in de legenda van de kaart te dupliceren.

Notitie

Gegeven het feit dat elke keer als u wijzigingen toepast op de eigenschappen van de laag, wijzigingen worden opgeslagen in de actieve stijl, zorg er altijd voor dat u de juiste stijl bewerkt om te vermijden dat een stijl wijzigt die wordt gebruikt in een kaartthema.

Tip

Stijlen beheren vanuit het contextmenu van de laag

Klik met rechts op de laag in het paneel Lagen om stijlen voor een laag te kopiëren, te plakken, toe te voegen of te hernoemen.

11.6.2. Stijlen opslaan in een bestand of een database

Waar gemaakte stijlen vanuit het combinatievak Stijl standaard worden opgeslagen binnen het project en van laag naar laag worden geplakt binnen het project, is het ook mogelijk om ze buiten het project op te slaan, zodat zij in een ander project kunnen worden geladen.

11.6.2.1. Opslaan als tekstbestand

Door te klikken op het menu selectString Stijl ► Stijl opslaan, kunt u de stijl opslaan als een:

  • QGIS laagstijlbestand (.qml)

  • SLD-bestand (.sld), alleen beschikbaar voor vectorlagen

Gebruikt bij op bestanden gebaseerde laagindelingen (.shp, .tab…), maakt Als standaard opslaan een .qml-bestand naast de laag (met dezelfde naam). SLD’s kunnen worden geëxporteerd uit elk type renderer – Enkel symbool, Categorieën, Gradueel of Regel-gebaseerd – maar bij het importeren van een SLD, wordt ofwel een Enkel symbool of Regel-gebaseerde renderer gemaakt. Dit betekent dat stijlen van Categorieën of Gradueel worden geconverteerd naar Regel-gebaseerd. Indien u deze renderers wilt behouden, dient u de indeling QML te gebruiken. Aan de andere kant kan het soms zeer handig zijn om deze eenvoudige manier te hebben voor het converteren van stijlen naar regel-gebaseerd.

11.6.2.2. Opslaan in database

Stijlen voor vectorlagen kunnen ook worden opgeslagen in een database als de gegevensbron voor de laag een provider voor een database is. Ondersteunde indelingen zijn PostGIS, GeoPackage, SpatiaLite, MSSQL en Oracle. De laagstijl wordt opgeslagen in een tabel (genaamd layer_styles) in de database. Klik op het item Stijl opslaan… ► Opslaan in database en vul het dialoogvenster in om een stijlnaam te definiëren, een beschrijving toe te voegen, een .ui-bestand, indien van toepassing, en selecteer of de stijl de standaardstijl zou moeten zijn.

U kunt verschillende stijlen voor één enkele tabel opslaan in de database. Elke tabel kan echter maar één standaardstijl hebben. Standaardstijlen kunnen worden opgeslagen in de database van de laag of in qgis.db, een lokale database van SQLite in de actieve map van het gebruikersprofiel.

../../../_images/save_style_database.png

Fig. 11.23 Dialoogvenster Stijl in database opslaan

Tip

Bestanden van stijlen delen tussen databases

U kunt uw stijl alleen maar opslaan in een database als de laag afkomstig is uit een dergelijke database. U kunt databases niet mixen (bijvoorbeeld laag in Oracle en stijl in MSSQL). Gebruik in plaats daarvan een bestand met platte tekst als u de stijl wilt delen tussen databases.

Notitie

U zou problemen tegen kunnen komen bij het herstellen van de tabel layer_styles uit een back-up van een database van PostgreSQL. Volg QGIS tabel layer_style en back-up database om dat te repareren.

11.6.2.3. Stijl laden

Bij het laden van een laag in QGIS, als een standaardstijl al bestaat voor deze laag, zal QGIS de laag met die stijl laden. Ook Stijl ► Standaard herstellen zoekt naar en laadt dat bestand en vervangt de huidige stijl van de laag.

Stijl ► Stijl laden helpt u bij het toepassen van een opgeslagen stijl op een laag. Waar een stijl uit een tekstbestand (.sld of .qml) kan worden toegepast op elke laag, ongeacht de indeling, is het laden van stijlen die zijn opgeslagen in een database alleen mogelijk als de laag uit dezelfde database komt of als de stijl is opgeslagen in de lokale database van QGIS.

Het dialoogvenster Stijlen database beheren geeft een lijst weer met gerelateerde stijlen voor de laag die zijn gevonden in de database en alle andere stijlen die daarin zijn opgeslagen, met naam en beschrijving.

Tip

Snel een laagstijl delen in het project

U kunt ook laagstijlen delen in een project zonder een bestands- of databasestijl te importeren: klik met rechts op de laag in het paneel Lagen en kopieer, uit het combinatievak Stijlen, de stijl van een laag en plak die in een groep of een selectie van lagen: de stijl wordt toegepast op alle lagen die van hetzelfde type zijn (vector vs raster) als de originele laag en, in het geval van vectorlagen, hetzelfde type geometrie hebben (punt, lijn of polygoon).

11.6.3. Laag-definitiebestand

Laag-definities kunnen worden opgeslagen als een Laag-definitiebestand (.qlr) met Exporteren ► Opslaan als Laag-definitiebestand… in het contextmenu van de actieve laag. Een laag-definitiebestand (.qlr) bevat verwijzingen naar de gegevensbron van de lagen en hun stijlen. .qlr-bestanden worden weergegeven in het paneel Browser en kunnen worden gebruikt om de lagen (met de opgeslagen stijl) toe te voegen aan het paneel Lagen. U kunt .qlr-bestanden ook slepen en neerzetten, vanuit de bestandsbeheerder van het systeem, in het kaartvenster.

11.7. Waarden opslaan in Variabelen

In QGIS kunt u variabelen gebruiken om nuttige terugkerende waarden op te slaan (bijv. de titel van het project, of de volledige naam van de gebruiker) die kunnen worden gebruikt in expressies. Variabelen kunnen worden gedefinieerd op het globale niveau van de toepassing, niveau van het project, niveau van de laag, op het niveau van de lay-out en op het niveau van een item van afdruklay-out. Net als met gestapelde regels van CSS kunnen variabelen worden overschreven - bijv een variabele op het niveau van het project zal elke variabele die is ingesteld op het niveau van de toepassing overschrijven. U kunt deze variabelen gebruiken om tekenreeksen van tekst of andere aangepaste expressies te bouwen met het teken @ vóór de naam van de variabele. Bijvoorbeeld in afdruklay-out een label maken met deze inhoud:

This map was made using QGIS [% @qgis_version %]. The project file for this
map is: [% @project_path %]

Zal het label renderen zoals hier:

This map was made using QGIS 3.4.4-Madeira. The project file for this map is:
/gis/qgis-user-conference-2019.qgs

Naast de Voorkeuze Alleen-lezen variabelen kunt u uw eigen aangepaste variabelen voor elk van de bovenvermelde niveaus definiëren. U kunt beheren:

Voor het onderscheiden van bewerkbare variabelen worden waarden en namen van variabelen die Alleen-lezen zijn cursief weergegeven. Aan de andere kant worden variabelen op een hoger niveau die worden overschreven door variabelen van een lager niveau doorgestreept.

../../../_images/options_variables.png

Fig. 11.24 Bewerker voor variabelen op projectniveau

Notitie

U kunt meer informatie over variabelen en enkele voorbeelden vinden in blogposten van Nyall Dawson: Exploring variables in QGIS 2.12, part 1, part 2 en part 3.

11.8. Authenticatie

QGIS heeft faciliteiten om gegevens voor authenticatie op een beveiligde manier op te slaan/op te halen. Gebruikers kunnen hun gegevens beveiligd opslaan in configuraties voor authenticatie, die in een draagbare database worden opgeslagen, kunnen worden toegepast op server- of databaseverbindingen, en waarnaar veilig kan worden verwezen door hun tokens voor ID in project- of instellingsbestanden. Bekijk voor meer informatie Authenticatiesysteem.

Een hoofdwachtwoord moet worden ingesteld bij het initialiseren van het systeem voor authenticatie en de draagbare database daarvan.

11.9. Veel voorkomende widgets

In QGIS zijn enkele opties waarmee u zeer vaak zult moeten werken. Voor het gemak verschaft QGIS u speciale widgets die hieronder worden weergegeven.

11.9.1. Kleur selecteren

11.9.1.1. Het dialoogvenster Kleuren

Het dialoogvenster Kleur selecteren zal verschijnen als u op het pictogram selectColor klikt om een kleur te kiezen. De mogelijkheden van dit dialoogvenster zijn afhankelijk van de status van het keuzevak voor de parameter Eigen dialoogvenster voor kleurkeuze gebruiken in het menu Extra ► Opties… ► Algemeen. Indien geselecteerd is het gebruikte dialoogvenster dat van het gebruikte besturingssysteem waarop QGIS wordt uitgevoerd. Anders wordt de voor QGIS aangepaste kleurenkiezer gebruikt.

Het dialoogvenster Aangepaste kleur kiezen heeft vier verschillende tabs die u in staat stellen een kleur te kiezen vanuit colorBox Kleurverloop, colorWheel Kleurenwiel, colorSwatches Kleurenwaaiers of colorPicker Kleur overnemen. Met de eerste twee tabs kunt u naar alle mogelijke kleurcombinaties bladeren en uw keuze op het item toepassen.

../../../_images/color_selector_ramp.png

Fig. 11.25 Tab Kleurenbalk

Op de tab colorSwatches Kleurenwaaier kunt u kiezen uit een lijst kleurenpaletten (bekijk Kleurinstellingen voor details). Met uitzondering van het palet Recente kleuren kunnen alle paletten worden aangepast met de knoppen signPlus Huidige kleur toevoegen en signMinus Geselecteerde kleur verwijderen aan de onderzijde van het frame.

De knop naast het combinatievak van de paletten biedt ook verscheidene opties om:

  • kopiëren, plakken, kleuren importeren of exporteren

  • kleurpaletten te maken, te importeren of te verwijderen

  • het aangepaste kleurenpalet toe te voegen aan de widget Kleur selecteren met het item Als kleurknoppen weergeven (zie Fig. 11.27)

../../../_images/color_selector_recent_colors.png

Fig. 11.26 Tab Kleurenwaaiers

Een andere optie is om colorPicker Kleur overnemen te gebruiken, dat u in staat stelt een monster van een kleur te nemen van onder uw muiscursor vanuit een willekeurig deel van QGIS of zelfs vanuit een andere toepassing: druk op de spatiebalk terwijl de tab actief is, plaats de muis boven de gewenste kleur en klik er op of druk opnieuw op de spatiebalk. U kunt ook op de knop Voorbeeldkleur drukken om Kleur overnemen te activeren.

Welke methode u ook gebruikt, de geselecteerde kleur wordt altijd beschreven door middel van kleurschuiven voor HSV- (Hue, Saturation, Value) en waarden RGB (Rood, Groen, Blauw). De kleur is ook te identificeren als een HTML-notatie.

Aanpassen van een kleur is zo eenvoudig als het klikken op het kleurenwiel of kleurverloop of op een van de schuifbalken voor de parameters van de kleuren. U kunt dergelijke parameters aanpassen met het draaivak ernaast of door met het muiswiel over de overeenkomstige schuifbalk te scrollen. U kunt ook de HTML-notatie voor de kleur opgeven. Tenslotte is er ook een schuifbalk voor Doorzichtbaarheid om het niveau van transparantie in te stellen.

Het dialoogvenster verschaft ook een visuele vergelijking tussen de Oude kleur (toegepast op het object) en de Huidige kleur (die geselecteerd wordt). Met slepen en neerzetten of te drukken op de knop atlasNext Kleur aan kleurenwaaier toevoegen, kunnen deze kleuren worden opgeslagen in een vak voor gemakkelijke toegang.

Tip

Snel aanpassen van kleuren

Slepen en neerzetten van een widget Kleur selecteren op een ander om zijn kleur toe te passen.

11.9.1.2. De sneltoets voor keuzelijst Kleur

Klik op de pijl aan de rechterzijde van knop voor het kleurenvak selectColor om een widget weer te geven voor het snel selecteren van een kleur. Deze sneltoets biedt toegang tot:

  • een kleurenwiel om een kleur uit te kiezen

  • een schuifbalk voor alfa om de doorzichtbaarheid van de kleur te wijzigen

  • de eerder ingestelde kleurpaletten in Als kleurknoppen weergeven

  • kopieer de huidige kleur en plak die in een ander widget

  • kies een kleur ergens vanaf uw computerscherm

  • kies een kleur uit het dialoogvenster Kleur selecteren

  • slepen-en-neerzetten van een kleur van de ene widget naar een ander om snel te aan te passen

Notitie

Als de widget Kleur is ingesteld op een projectkleur via de eigenschappen Data-bepaalde ‘override’, zijn de hierboven vermelde functies voor het wijzigen van de kleur niet beschikbaar. U moet eerst Kleur ontkoppelen of de definitie Leegmaken.

../../../_images/quick_color_selector.png

Fig. 11.27 Menu Snel kleur kiezen

11.9.1.3. De sneltoets voor keuzelijst Kleurverloop

Kleurverlopen zijn een praktische manier om een set kleuren toe te voegen op een of meerdere objecten. Het maken ervan wordt beschreven in het gedeelte Een kleurverloop instellen. Net als voor de kleuren opent het drukken op de knop Kleurverloop selectColorRamp het overeenkomende dialoogvenster voor het type kleurverloop, wat u in staat stelt de eigenschappen ervan te wijzigen.

../../../_images/color_ramp_brewer.png

Fig. 11.28 Aanpassen van een ColorBrewer kleurverloop

Het keuzemenu aan de rechterkant van de knop geeft snel toegang tot een bredere set kleurverlopen en opties:

  • Kleurverloop omdraaien

  • een voorbeeld van het kleurverloop of kleurverlopen catalog: cpt-city gevlagd als Favorieten in het dialoogvenster Stijlmanager

  • Alle kleurverlopen om toegang te krijgen tot de database met compatibel kleurverlopen

  • Nieuw kleurverloop maken… van een ondersteund type dat kan worden gebruikt in het huidige widget (onthoud dat dit kleurverloop niet ergens anders beschikbaar zal zijn, tenzij u het opslaat in de bibliotheek)

  • Kleurverloop bewerken…, hetzelfde als klikken op de knop van het gehele kleurverloop

  • Kleurverloop opslaan… om het huidige kleurverloop met zijn aanpassingen op te slaan in de stijlbibliotheek

../../../_images/quick_colorramp_selector.png

Fig. 11.29 Widget Snel kleurverloop selecteren

11.9.2. Widget Symbool

De widget voor selectie van het Symbool is een handige sneltoets wanneer u symbooleigenschappen voor een object wilt instellen. Klikken op de pijl van het keuzemenu geeft de volgende opties voor het symbool weer, samen met de mogelijkheden voor de widget keuzemenu Kleur:

  • Symbool configureren…: hetzelfde als drukken op de widget Symbool selecteren. Het opent een dialoogvenster om de parameters voor het symbool in te stellen.

  • Symbool kopiëren vanuit het huidige item

  • Symbool plakken naar het huidige item, versnelt configuratie

11.9.3. Lettertype selecteren

De widget voor het selecteren van het Lettertype is een handige sneltoets wanneer u eigenschappen voor lettertypen wilt instellen voor tekstuele informatie (labels van objecten, labels voor decoraties, tekst voor de legenda van de kaart, …). Klikken op de pijl voor het keuzemenu geeft sommige of alle volgende opties weer:

../../../_images/fontselector_widget.png

Fig. 11.30 Keuzemenu Lettertype selecteren

  • Lettertype grootte in de geassocieerde eenheid

  • Recente lettertypen ► menu met het actieve lettertype aangevinkt (bovenin)

  • Opmaak configureren…: hetzelfde als drukken op de widget Lettertype selecteren. Het opent een dialoogvenster om parameters voor het opmaken van tekst in te stellen. Afhankelijk van de context kan het het van het besturingssysteem afhankelijke standaard dialoogvenster Tekst opmaken zijn of het aangepaste dialoogvenster van QGIS met geavanceerde opties voor opmaken (doorzichtbaarheid, oriëntatie, buffer, achtergrond, schaduw, …) zoals beschreven in het gedeelte De tekst van het label opmaken.

  • Opmaak kopiëren van de tekst

  • Opmaak plakken naar de tekst, versnelt configuratie

  • de widget Kleur selecteren om het bewerken van kleuren sneller te maken

11.9.4. Eenheid selecteren

Eigenschappen voor de grootte van items (labels, symbolen, elementen van lay-out, …) in QGIS zijn niet noodzakelijkerwijze gebonden aan ofwel de eenheden voor het project of de eenheden van een bepaalde laag. Voor een grote set eigenschappen stelt het keuzemenu voor het selecteren van Eenheid u in staat hun waarden aan te passen, al naar gelang de rendering die u wilt (gebaseerd op schermresolutie, papiergrootte, of het terrein). Beschikbare eenheden zijn:

  • Millimeters

  • Punten

  • Pixels

  • Inches

  • Meters op schaal: Dit stelt u in staat de grootte altijd in te stellen op meters, ongeacht wat de onderliggende kaarteenheden zijn (zij zouden bijvoorbeeld in inches, feet, geografische graden, kunnen zijn…). De grootte in meters wordt berekend, op basis van de huidige instelling van de ellipsoïde voor het project en een projectie van de afstanden in meters naar het midden van het huidige kaartbereik.

  • en Kaarteenheden: De grootte wordt geschaald overeenkomstig de schaal van de kaartweergave. Gebruik, omdat dit kan leiden tot te grote of te kleine waarden, de knop options naast het item om de grootte te beperken tot een bereik van waarden, gebaseerd op:

    • De Minimum schaal en de Maximum schaal: De waarde wordt geschaald, gebaseerd op de schaal van de kaartweergave, totdat u één van deze begrenzingen van de schaal bereikt. Buiten het bereik van de schaal wordt de waarde van de dichtstbijzijnde limiet voor de schaal aangehouden.

    • en/of De Minimum grootte en de Maximum grootte in mm: De waarde wordt geschaald, gebaseerd op de schaal van de kaartweergave totdat het een van deze grenzen bereikt; Dan wordt de grootte van de limiet aangehouden.

    ../../../_images/adjust_scaling.png

    Fig. 11.31 Dialoogvenster voor aanpassen schaalbereik

11.9.5. Opgemaakte getallen

Opgemaakte getallen maakt het opmaken voor het weergeven van numerieke waarden mogelijk, met een variëteit aan verschillende technieken voor opmaak (bijvoorbeeld wetenschappelijke notatie, valutawaarden, waarden als percentage, etc). Een manier voor gebruik is om de tekst van een schaalbalk in een lay-out of vaste tabel in te stellen.

Verschillende categorieën voor opmaak worden ondersteund. Voor de meeste daarvan kunt u enkele of alle volgende numerieke opties instellen:

  • checkbox Scheidingsteken duizendtallen weergeven

  • unchecked Plusteken weergeven

  • unchecked Achterliggende nullen weergeven

Maar zij kunnen ook hun aangepaste instellingen hebben. Verschafte categorieën zijn:

  • Algemeen, de standaard categorie: heeft geen instelling en geeft waarden weer zoals ingesteld in de ouderwidget Eigenschappen of met de globale instellingen.

  • Getal

    • De waarde kan worden Afgerond tot een zelf gedefinieerd aantal Decimale plaatsen of hun Significante getallen

    • aanpassen van het Scheidingsteken duizendtallen en Decimaal scheidingsteken

  • Richting voor een tekstweergave van een richting/graden met:

    • Indeling: mogelijke bereiken van waarden zijn 0 tot en met 180°, met voorvoegsel O/W, -180 tot en met +180° en 0 tot en met 360°

    • aantal Decimale plaatsen

  • Valuta voor een tekstweergave van een valutawaarde.

    • Voorvoegsel

    • Achtervoegsel

    • aantal Decimale plaatsen

  • Fractie voor een platte fractionele weergave van een decimale waarde (bijv. 1/2 in plaats van 0.5)

    • unchecked Unicode super/subscript gebruiken om weer te geven. Bijvoorbeeld 1/2 in plaats van 1/2

    • unchecked Toegewezen Unicode-tekens gebruiken

    • het Scheidingsteken duizendtallen aanpassen

  • Percentage - voegt % toe aan de waarden, met instellen van:

    • aantal Decimale plaatsen

    • Schaal om aan te geven of de feitelijke waarden al percentages weergeven (dan worden zij behouden zoals zij zijn) of fracties (dan worden zij geconverteerd)

  • Wetenschappelijk notatie in de vorm 2.56e+03. Het aantal Decimale plaatsen kan worden ingesteld.

Een levend voorbeeld van de instellingen wordt weergegeven in het gedeelte Voorbeeld.

11.9.6. Meng-modi

QGIS biedt verschillende opties voor speciale effecten voor renderen met deze gereedschappen die u eerder mogelijk alleen kende vanuit grafische programma’s. Meng-modi kunnen worden toegepast op lagen en objecten, en ook op items van afdruklay-out:

  • Normaal: Dit is de standaard mengmodus die het alfakanaal van de bovenliggende pixel mengt met de pixel eronder. De kleuren worden niet gemengd.

  • Lichter maken: Deze selecteert de maximum waarden van de pixels van de voor- en achtergrond. Het resultaat is vaak ruw, grof en kartelig.

  • Screen: Lichte pixels van de bronlaag worden getekend over de doellaag, terwijl dat niet gebeurt met donkere pixels. Deze modus is geschikt voor het mengen van de textuur van de ene laag met die van een andere laag. (zoals om schaduwen van heuvels te maken in een andere laag).

  • Dodge: Onderliggende pixels feller maken en met meer kleur, gebaseerd op de helderheid van de bovenste pixel. Heldere pixels bovenop zorgen er voor dat de verzadiging en helderheid van de onderliggende pixels wordt verhoogd. Dit werkt het beste wanneer de bovenste pixels niet te fel zijn. Anders wordt het resultaat te extreem.

  • Toevoegen: Telt de waarde van de pixel van de ene laag op bij de andere. Wanneer de waarden boven de maximale waarde (in het geval van RGB) uitkomen, zal wit worden weergegeven. Deze modus is geschikt om objecten te accentueren.

  • Donkerder maken: Behoudt de laagste waarden van elke component van de pixels van voor- en achtergrond. Net zoals bij de modus Lichter maken, neigen de resultaten naar ruw, grof en gekarteld.

  • Vermenigvuldigen: Pixelwaarden van het bovenste item worden vermenigvuldigd met de overeenkomende waarden van het onderste item. De resultaten zijn donkerder.

  • Branden: Donkere kleuren in de toplaag zorgen ervoor dat onderliggende lagen ook donkerder worden. Branden kan worden gebruikt om de kleuren van onderliggende lagen bij te stellen.

  • Overlay: Combineert de mengmodi vermenigvuldigen en screen. Lichtere delen worden lichter en donkere delen worden donkerder.

  • Zacht licht: Lijkt erg op overlay, maar in plaats van de combinatie vermenigvuldigen/screen wordt de combinatie branden/dodge gebruikt. Hiervan wordt verwacht het effect na te bootsen van het schijnen van een zacht licht op een afbeelding.

  • Hard licht: Hard licht lijkt op de modus overlay. Deze moet ervoor zorgen dat het lijkt of er een sterk licht schijnt op het kaartvenster.

  • Verschil: Trekt de waarde van de bovenste pixel van de onderliggende pixel af of omgekeerd, zodat er altijd een positieve waarde ontstaat. Het mixen met zwart levert geen wijziging op, omdat het verschil voor alle kleuren nul is.

  • Aftrekken: Trekt de waarde van de pixel van de ene laag af van de andere. In het geval van negatieve waarden wordt zwart weergegeven.

11.9.7. Data-bepaalde ‘override’ instellen

Naast vele opties in het dialoogvenster Laageigenschappen of instellingen in afdruklay-out, zult u een pictogram dataDefined Data-bepaalde ‘override’ zien. Met expressies gebaseerd op attributen van lagen of instellingen van items, vooraf gebouwde of aangepaste functies en variabelen, stelt dit gereedschap u in staat om een dynamische waarden voor de betrokken parameters in te stellen. Indien ingeschakeld wordt de waarde die wordt teruggegeven door dit widget toegepast op de parameter, ongeacht de normale waarde daarvan (keuzevak, tekstvak, schuifbalk…).

11.9.7.1. Widget Data-bepaalde ‘override’

Klikken op het pictogram dataDefined Data-bepaalde ‘override’ geeft de volgende items weer:

  • Omschrijving… die aangeeft of de optie is ingeschakeld, welke invoer verwacht wordt, het geldige type voor invoer en de huidige definitie, Door met de muis over de widget te gaan komt deze informatie ook tevoorschijn.

  • Gegevens opslaan in het project: een knop die het mogelijk maakt de eigenschap op te slaan met het mechanisme Eigenschappen Hulpopslag.

  • Veldtype: een item om uit de velden van de laag te selecteren die overeenkomen met het geldige type voor invoer.

  • Kleur: wanneer de widget is gekoppeld aan een eigenschap voor de kleur, geeft dit menu toegang tot de gedefinieerde kleuren, als deel van het huidige schema projectkleuren.

  • Variabele: een menu om toegang te verkrijgen tot de beschikbare door de gebruiker gedefinieerde variabelen

  • knop Bewerken… om de toe te passen expressie te maken of te bewerken met het dialoogvenster Expressie-string bouwer. Een herinnering voor de indeling van de verwachte uitvoer wordt in het dialoogvenster gegeven om u te helpen de expressie correct in te vullen.

  • knoppen Plakken en Kopiëren.

  • knop Leegmaken om de instellingen te verwijderen.

  • Voor numerieke en eigenschappen voor kleuren, Assistent… om opnieuw op schaal te brengen hoe de gegevens van het object zullen worden toegepast op de eigenschap (meer details hieronder)

Tip

Rechtsklikken gebruiken om Data-bepaalde ‘override’ te (de)activeren

Wanneer de optie Data-bepaalde ‘override’ juist is ingesteld is het pictogram geel dataDefineOn of dataDefineExpressionOn. Het pictogram is rood dataDefineError of dataDefineExpressionError als het verbroken is.

U kunt een geconfigureerde knop dataDefined Data-bepaalde ‘override’ in- of uitschakelen door eenvoudigweg op de widget te klikken met de rechterknop van de muis.

11.9.7.2. Interface Assistent Data-gedefinieerde override gebruiken

Wanneer de knop dataDefined Data-bepaalde ‘override’ is verbonden met een numerieke of parameter voor kleur, heeft het een optie Assistent… die u in staat stelt te wijzigen hoe de gegevens worden toegepast op de parameter voor elk object. De assistent stelt u in staat om:

  • De gegevens voor Invoer te definiëren, d.i.:

    • het attribuut dat moet worden weergegeven (gebruik de keuzelijst Veld of de functie expression Uitdrukking voor kolom instellen, zie Expressies)

    • het bereik van weer te geven waarden: u kunt de waarden handmatig invoeren of de knop refresh Waarde bereik uit laag ophalen om deze velden automatisch te vullen met de minimale en maximale waarden, teruggegeven door het gekozen attribuut of de op uw gegevens toegepaste expressie.

  • unchecked Transformatieboog toepassen: standaard worden waarden voor uitvoer (zie hieronder voor instellen) toegepast op invoerobjecten met een lineaire schaal. U kunt deze logica overschrijven door de optie voor transformeren te selecteren, te klikken op de grafiek om breekpunt(en) toe te voegen en de punt(en) te slepen om een aangepaste verdeling toe te passen.

  • Definiëren van de waarden voor Uitvoer: de opties variëren, afhankelijk van de te definiëren parameter. U kunt globaal instellen:

    • de minimum en maximum toe te passen waarden voor de geselecteerde eigenschap (in het geval van instellen van een kleur dient u een kleurverloop op te geven)

    • de Methode op schaal brengen voor de weergave die kan zijn Bedekking, Exponentieel, Oppervlakte of Straal

    • de Exponent om te gebruiken voor het op schaal brengen van de gegevens

    • de waarde voor uitvoer of kleur om objecten met waarden NULL weer te geven

Indien compatibel met de eigenschap wordt een live bijgewerkt voorbeeld weergegeven aan de rechterkant van het dialoogvenster om u te helpen bij het beheren van het op schaal brengen van de waarden.

../../../_images/varying_size_assistant.png

Fig. 11.32 De Assistent data-bepaalde grootte

De in de Assistent Variërende grootte weergegeven waarden hierboven zullen de grootte van ‘Data-bepaalde ‘override’’ instellen op:

coalesce(scale_exp(Importance, 1, 20, 2, 10, 0.57), 1)