Outdated version of the documentation. Find the latest one here.

Het dialoogvenster Vectoreigenschappen

Het dialoogvenster Laag-eigenschappen voor een vectorlaag verschaft algemene instellingen om het uiterlijk van objecten van de kaart op de laag te beheren (symbologie, labels, diagrammen), interactie met de muis (acties, kaarttips, ontwerpen van formulieren). Het verschaft ook informatie over de laag.

Open het dialoogvenster Laag eigenschappen door in de legenda te dubbelklikken op de laag of door met rechts te klikken en Eigenschappen te selecteren uit het pop-upmenu.

Tip

Snel tussen verschillende weergaven van lagen schakelen

Met behulp van het combinatievak Stijlen ‣ Toevoegen onderin het dialoogvenster Laag-eigenschappen kunt u net zoveel combinaties van instellingen van eigenschappen van de laag (symbologie, labels, diagrammen, formulier met velden, acties...) opslaan als u wilt. Dan kunt u eenvoudigweg schakelen tussen de stijlen in het contextmenu van de laag in het Lagenpaneel om automatisch verschillende weergaven van uw gegevens te krijgen.

Tab Algemeen

general Gebruik de tab Algemeen voor algemene instellingen voor een vectorlaag. U kunt hiermee verschillende zaken instellen:

Laag Info

  • Wijzig de zichtbare naam van de laag in de legenda met Weergegeven als

  • Definieer de Laagbron van de vectorlaag

  • Definieer de Tekencodering databron om specifieke opties voor de provider te geven en om het bestand te kunnen lezen

Coördinaten Referentie Systeem

  • Specificeer het Coördinaten Referentie Systeem. Hier kun je de projectie bekijken of wijzigen voor de specifieke vectorlaag.

  • Maak een Ruimtelijke index aan (alleen voor OGR-ondersteunde indelingen)

  • Bereik vernieuwen informatie voor een laag

  • Bekijk of wijzig de ruimtelijke projectie van deze specifieke vectorlaag, met de knop [Geef het CRS]

Schaalafhankelijke zichtbaarheid

U kunt het schaal Maximum (inclusief) en Minimum (exclusief) instellen, wat een bereik van schalen definieert waarin objecten zichtbaar zullen zijn. Buiten dit bereik zijn zij verborgen. De knop mapIdentification Op huidige schaal kaartvenster instellen helpt u de schaal van het huidige kaartvenster te gebruiken als grens voor de zichtbaarheid van het bereik.

Figure Vector General 1:

../../../_images/vector_general_menu.png

Menu Algemeen in dialoogvenster Eigenschappen van de vectorlaag

Querybouwer

Onder het frame Provider objectfilter geeft de Querybouwer de mogelijkheid om een subset van de objecten in de laag te definiëren met behulp van een SQL-achtige opdracht WHERE, waarbij het resultaat wordt getoond in het hoofdscherm. Zolang de query actief is zijn alleen de resultaten die overeenkomen met het resultaat ervan beschikbaar in het project. Het resultaat van de zoekopdracht kan opgeslagen worden als een nieuwe vectorlaag.

De Querybouwer is bereikbaar via de dezelfde term aan de onderzijde van het menu Algemeen in de Laag-eigenschappen. Klik, onder Subset objecten, op de knop [Querybouwer] om de Querybouwer te openen. Als u bijvoorbeeld een laag regions, heeft met een veld TYPE_2, zou u alleen regio’s kunnen selecteren die in het veld TYPE_2 het woord borough bevatten in het vak Provider specifieke filterexpressie van de Querybouwer. Figure_vector_general_2 toont een voorbeeld van de querybouwer met gegevens geladen uit regions.shp van de QGIS voorbeeld gegevensset. De gedeelten Velden, Waarden en Operatoren helpen u met het opbouwen van de SQL-achtige zoekopdracht.

Figure Vector General 2:

../../../_images/queryBuilder.png

Querybouwer

De lijst Velden bevat alle kolommen met attributen uit de attributentabel waarop gezocht kan worden. Dubbelklik op de naam in de lijst van veldnamen om een attributenveld toe te voegen aan het invoergedeelte van de SQL WHERE. U kunt normaal gesproken verschillende velden, waarden en operators gebruiken om een zoekopdracht op te bouwen maar U kunt deze ook rechtstreeks in het vak van de SQL typen.

De lijst Waarden geeft de waarden van een attributentabel. Selecteer, om een lijst te verkrijgen van alle mogelijke waarden van een attribuut, eerst het attribuut in de lijst Velden en druk vervolgens op de knop [Alles]. Selecteer eerst het attribuut in de lijst Velden en druk vervolgens op de knop [Voorbeeld] om een lijst op te bouwen met de 25 eerste unieke waarden van een attribuutveld. Dubbelklik op de waarde in de lijst van waarden om een waarde toe te voegen aan het vak van SQL WHERE.

Operatoren bevat alle operatoren die gebruikt kunnen worden. Druk op de bijbehorende knop om een operator toe te voegen aan het vak SQL WHERE. Beschikbaar zijn relationele operatoren ( = , > , ...), de tekstvergelijkingsoperator (LIKE) en logische operatoren (AND, OR, ...).

De knop [Test] toont een melding met het aantal objecten die het resultaat zullen zijn van gegeven zoekopdracht, wat erg handig is tijdens het proces van het opbouwen van een zoekopdracht. De knop [Leegmaken] zal de inhoud van het vak SQL WHERE leegmaken. Met de knop [OK] worden de objecten die voldoen aan de zoekopdracht geselecteerd en het venster gesloten. De knop [Cancel] sluit het venster zonder de huidige selectie te veranderen.

QGIS behandelt de resulterende subset als was het de gehele laag. Als u bijvoorbeeld het filter hierboven toepaste op ‘Borough’, kunt u Anchorage niet weergeven, bevragen, opslaan of bewerken, omdat het een ‘Municipality’ is en daarom geen deel uitmaakt van de subset.

De enige uitzondering is dat, tenzij uw laag deel uitmaakt van een database, het gebruiken van een subset voorkomt dat u de laag kunt bewerken.

Menu Stijl

Het menu Stijl geeft toegang tot een uitgebreid gereedschap voor renderen en toevoegen van symbologie aan uw vectorgegevens. U kunt gereedschappen gebruiken die veel voorkomend zijn voor vectorgegevens als ook speciale gereedschappen voor digitaliseren die speciaal werden ontworpen voor de verschillende soorten vectorgegevens. Alle typen delen echter dezelfde structuur van het dialoogvenster: in het bovenste gedeelte staat een widget dat u helpt bij het voorbereiden van de classificatie en het te gebruiken symbool voor objecten en onderin het widget Renderen van lagen.

Tip

Vectorsymbologie exporteren

U heeft de optie om vectorsymbologie vanuit QGIS te exporteren naar Google *.kml-, *.dxf- en MapInfo *.tab-bestanden. Open eenvoudigweg het rechter muismenu van de laag en klik op Opslaan als ‣ om de naam van het uitvoerbestand te specificeren en de indeling ervan. Gebruik, in het dialoogvenster, het menu Symbologie exporteren om de symbologie ofwel op te slaan als Objectsymbologie ‣ of als Symbologie symboollaag ‣. Als u symboollagen heeft gebruikt wordt aanbevolen om de tweede instelling te gebruiken.

Objecten renderen

De renderer is verantwoordelijk voor het tekenen van een object tezamen met het juiste symbool. Ongeacht het type geometrie van de laag zijn er vier algemene typen renderers: Enkel symbool, Categorieën, Gradueel en Op regel gebaseerd. Voor puntlagen zijn renderers voor verplaatsing van punten en een heatmap beschikbaar, terwijl polygoonlagen ook kunnen worden gerenderd met de geïnverteerde renderer.

Er is geen renderer voor doorlopende kleuren aangezien deze in feite een speciale variant van de renderer Gradueel is. De renderers Gradueel en Categorieën kunnen worden gemaakt door een combinatie van een symbool en een kleurverloop te specificeren - zij zullen de kleuren voor de symbolen toepasselijk weergeven. Voor elk gegevenstype (punten, lijnen en polygonen) zijn typen vector symboollaag beschikbaar. Afhankelijk van de gekozen renderer geeft het dialoogvenster verschillende aanvullende gedeelten.

Notitie

Wanneer u het type renderer wijzigt bij het instellen van een stijl voor een vectorlaag zullen de instellingen die u voor het symbool maakte worden behouden. Onthoud dat deze procedure slechts werkt voor één wijziging. Indien u het type renderer blijft wijzigen zullen de instellingen voor het symbool verloren gaan.

Renderer Enkel symbool

De renderer singleSymbol Enkel symbool wordt gebruikt om alle objecten van de laag te renderen met behulp van één enkel gebruikergedefinieerd symbool. Bekijk Symbool selecteren voor meer informatie over weergave van symbolen.

Figure Symbology 1:

../../../_images/singlesymbol_ng_line.png

Eigenschappen van Enkel symbool lijn

Tip

symbool direct in lagenpaneel bewerken

Als u in uw Lagenpaneel lagen met categorieën hebt die zijn gedefinieerd door een stijlmodus Categorieën, Gradueel of Op regel gebaseerd, kunt u de vulkleur van het symbool voor de categorieën wijzigen door met rechts te klikken op een categorie en de kleur te kiezen van uw voorkeur uit een menu colorWheel kleurenwiel. Klikken met rechts op een categorie zal u ook toegang geven tot de opties Alle items verbergen, Alle items tonen en Symbool bewerken.

Renderer Categorieën

De renderer categorizedSymbol Categorieën wordt gebruikt om alle objecten van een laag te tekenen met een door de gebruiker gedefinieerd symbool waarvan de aspecten de waarde van een geselecteerd attribuut van het object weergeven. Het menu Categorieën geeft u de mogelijkheid om te selecteren:

  • Het attribuut (gebruik de keuzelijst Kolom of de functie expressionEditorOpen Uitdrukking voor kolom instellen, zie hoofdstuk Expressies)

  • Het symbool (met behulp van het dialoogvenster Symbool selecteren) dat als standaard zal worden gebruikt voor elke klasse

  • Het bereik van kleuren (met behulp van het lijstvak Kleurenbalk) van waaruit de kleur die moet worden toegepast wordt geselecteerd

Klik dan op de knop Classificeren om klassen te maken uit de unieke waarden van de attributenkolom. Elke klasse kan worden uitgeschakeld door het keuzevak aan de linkerkant van de naam van de klasse te deselecteren.

Dubbelklik eenvoudigweg op het item dat u wilt wijzigen om het symbool, waarde en/of label van de klasse te wijzigen.

Een klik met rechts geeft een contextmenu weer voor Kopiëren/Plakken, Kleur wijzigen, Transparantie wijzigen, Uitvoereenheid wijzigen, Symboolbreedte wijzigen.

Het voorbeeld in figure_symbology_2 toont het dialoogvenster renderer Categorieën gebruikt voor de laag rivers van de QGIS voorbeeld gegevensset.

Figure Symbology 2:

../../../_images/categorysymbol_ng_line.png

Categorieën - opties voor symbologie

Tip

Meerdere symbolen selecteren en wijzigen

Met symbologie kunt u meerdere symbolen selecteren en via de rechter muisknop kunt u de kleur, transparantie, de grootte en de dikte van de buitenlijnen aanpassen.

Tip

Categorieën overeen laten komen met naam symbool

In het menu [Geavanceerd], onder de klassen, kunt u één van de eerste twee acties kiezen om de naam van een symbool overeen te laten komen met een naam van een categorie in uw classificatie. Overeenkomst met opgeslagen symbolen laat de naam van de categorie overeenkomen met een naam voor een symbool in uw Stijl-manager. Overeenkomst met symbolen uit bestand laat de naam van de categroie overeenkomen met de naam van ene symbool uit een extern bestand.

Renderer Gradueel

De renderer graduatedSymbol Gradueel wordt gebruikt om alle objecten in een laag te renderen, met behulp van één enkel gebruiker-gedefinieerd symbool waarvan de kleur of grootte de aanwijzing van een geselecteerd attribuut van het object aan een klasse weergeeft.

Net als de renderer Categorieën stelt de renderer Gradueel u in staat om rotatie en schaal voor de grootte uit gespecificeerde kolommen te definiëren.

Ook, analoog aan de renderer Categorieën, stelt het u in staat om te selecteren:

  • Het attribuut (gebruik de keuzelijst Kolom of de functie expressionEditorOpen Uitdrukking voor kolom instellen)

  • Het symbool (met behulp van het menu voor Symbool selecteren )

  • De indeling van de legenda en de precisie

  • De te gebruiken methode voor het wijzigen van de van het symbool: kleur of grootte

  • De kleuren (met behulp van het lijstvak Kleurenbalk) als de methode voor de kleur is geselecteerd

  • De grootte (met behulp van het domein grootte en de eenheid daarvan

Dan kunt u de tab Histogram gebruiken die een interactief histogram van de waarden uit het toegewezen veld of expressie weergeeft. Klasse-afbrekingen kunnen met behulp van het widget Histogram worden verplaatst of toegevoegd.

Notitie

U kunt een paneel Statistisch overzicht gebruiken om meer informatie te krijgen over uw vectorlaag. Bekijk Paneel Statistieken.

Terug op de tab Klassen kunt u het aantal klassen specificeren en ook de modi voor het classificeren van objecten binnen de klassen (met behulp van de lijst Modus). De beschikbare modi zijn:

  • Gelijke interval: elke klasse heeft dezelfde grootte (bijv. waarden van 0 tot en met 16 en 4 klassen, elke klasse heeft een grootte van 4);

  • Kwantiel: elke klasse heeft hetzelfde aantal elementen in zich (het idee van een doosdiagram);

  • Natuurlijke grenzen (Jenks): de variantie binnen elke klasse is minimaal terwijl de variantie tussen de klassen maximaal is;

  • Standaard afwijking: klassen worden afhankelijk van de standaard afwijking van de waarden opgebouwd;

  • Mooie grenzen: berekent een reeks van ongeveer n+1 evenredig verdeelde keurige waarden die het bereik van de waarden in x omvat. De waarden worden dusdanig gekozen dat zij 1, 2 of 5 keer een macht van 10 zijn. (gebaseerd op pretty uit de R statistische omgeving http://astrostatistics.psu.edu/datasets/R/html/base/html/pretty.html)

De lijst in het middelste deel van het tabblad Stijl somt de klassen op met hun bereik, labels en symbolen die voor het renderen worden gebruikt.

Klik op de knop Classificeren om klassen te maken met behulp van de gekozen modus. Elke klasse kan worden uitgeschakeld door het keuzevak aan de linkerkant van de naam van de klasse te deselecteren.

Dubbelklik eenvoudigweg op het item dat u wilt wijzigen om het symbool, waarde en/of label van de klasse te wijzigen.

Een klik met rechts geeft een contextmenu weer voor Kopiëren/Plakken, Kleur wijzigen, Transparantie wijzigen, Uitvoereenheid wijzigen, Symboolbreedte wijzigen.

Het voorbeeld in figure_symbology_3 toont de dialoog van de renderer Gradueel voor de laag rivers van de QGIS voorbeeld dataset.

Figure Symbology 3:

../../../_images/graduatesymbol_ng_line.png

Gradueel - opties voor symbologie

Tip

Thematische kaarten met behulp van een uitdrukking

Thematische kaarten van Categorieën en Gradueel kunnen worden gemaakt met behulp van het resultaat van een expressie. In het dialoogvenster Eigenschappen voor vectorlagen, zijn de keuzen voor attributen uitgebreid met een functie expressionEditorOpen Expressie voor kolom instellen. U hoeft dus niet langer het attribuut voor de classificatie naar een nieuwe kolom in uw attributentabel weg te schrijven als u wilt dat het attribuut voor de classificatie een samenstelling is van meerdere velden of een formule van enig soort.

Proportionele symbool en multivariatie analyse

Proportionele symbool en multivariatie analyse zijn gene beschikbare typen voor renderen uit de keuzelijst voor renderen van Stijl. Echter, met de opties Assistent grootte toegepast voor een van de eerdere opties voor renderen, stelt QGIS u in staat uw punt- en lijngegevens in een dergelijke weergave weer te geven.

Een proportioneel symbool maken

Proportioneel renderen wordt uitgevoerd door eerst de Renderer Enkel symbool toe te passen op de laag. Als u eenmaal het symbool hebt ingesteld, in het hoogste niveau van de boom van symbolen, is de knop dataDefined Data-bepaalde override beschikbaar naast de opties Grootte of Breedte (respectievelijk voor punt- of lijnlagen) die het gereedschap verschaffen om proportionele symbologie voor de laag te maken. Een assistent is nogmaals toegankelijk via het menu dataDefined om u te helpen de expressie voor de grootte te definiëren.

Figure Symbology 4:

../../../_images/varying_size_assistant.png

Assistent Variërende grootte...

De assistent laat u definiëren:

  • Het attribuut dat moet worden weergegeven (gebruik de keuzelijst Veld of de functie expressionEditorOpen Uitdrukking voor kolom instellen, zie Expressies)

  • de methode voor schalen voor de weergave die kan zijn ‘Bedekking’, ‘Oppervlakte’ of ‘Straal’

  • De minimale en maximale grootte van het symbool

  • Het bereik van weer tegen waarden: De pijl naar beneden helpt u deze velden automatisch te vullen met de minimale (of nul) en maximale waarden, teruggegeven door het gekozen attribuut of de op uw gegevens toegepaste expressie.

  • Een unieke grootte om NULL-waarden weer te geven.

Aan de rechterkant van het dialoogvenster kunt u de weergave van de objecten zien in een voorbeeld in een widget Live-update. Deze weergave wordt toegevoegd aan de boom van de laag in de legenda van de lagen en wordt ook gebruikt om de weergave van de laag vorm te geven in het item Legenda van Printvormgeving.

De in de Assistent Variërende grootte weergegeven waarden hierboven zullen de grootte van ‘Data-bepaalde override’ instellen op:

coalesce(scale_exp(Importance, 1, 20, 2, 10, 0.57), 1)

Multivariatie analyse instellen

Renderen als multivariatie analyse helpt u de relatie te evalueren tussen twee of meer variabelen, bijv. één kan worden weergegeven door een kleurenbalk terwijl de andere wordt weergegeven door een grootte.

De eenvoudigste manier om een multivariatie analyse in QGIS te maken is door eerst een renderer categorieën of Gradueel toe te passen op een laag, hetzelfde type symbool gebruikend voor alle klassen. Dan, door te klikken bij Symbool op de knop [Wijizgen] boven het frame voor de classificatie, verkrijgt u het dialoogvenster Symbool selecteren van waaruit, zoals hierboven te zien, kunt u de optie Assistent grootte activeren en instellen ofwel op grootte (voor puntenlaag) of breedte (voor lijnlaag).

Net als het proportionele symbool, wordt het aan de grootte gerelateerde symbool toegevoegd aan de boom van lagen, bovenin de symboolklassen Categorieën of Gradueel. En beide weergaven zijn ook beschikbaar in het item legenda van Printvormgeving.

Renderer Regel-gebaseerd

De renderer ruleBasedSymbol Regel-gebaseerd wordt gebruikt om alle objecten in een laag te renderen, met behulp van:index:op regels gebaseerde symbolen waarvan de kleur de aanwijzing van een attribuut van een geselecteerd object aan een klasse weergeeft. De regels zijn gebaseerd op argumenten in SQL. Het dialoogvenster stelt u in staat te groeperen op filter of schaal, en u kunt bepalen of u niveaus voor de symbolen wilt inschakelen of alleen de eerste regel die overeenkomt wilt gebruiken.

Activeer, om een regel te maken, een bestaande rij door er op te dubbelklikken of te drukken op ‘+’ en op de nieuwe regel te klikken. In het dialoogvenster Regeleigenschappen kunt u een label definiëren voor de regel. Druk op de knop browseButton om de bouwer voor de tekenreeks voor de regel te openen. Klik, in de Functielijst, op Velden en waarden om alle attributen van de attributentabel te zien waarin kan worden gezocht. Dubbelklik op de naam in de lijst Velden en waarden om een attribuut toe te voegen aan het veld Expressie. In het algemeen kunt u de verschillende velden, waarden en functies gebruiken om de expressie voor de berekening te construeren, of u kunt hem eenvoudigweg in het vak zelf typen (bekijk Expressies). U kunt een nieuwe regel maken door een bestaande regel te kopiëren en te plakken met de rechter muisknop. U kunt ook de regel ‘ELSE’ gebruiken die zal worden uitgevoerd als geen van de andere regels op dat niveau overeenkomt. Vanaf QGIS 2.8 verschijnen de labels voor de regels in een pseudoboom in de legenda van de kaart. Dubbelklik eenvoudigweg op de regels in de legenda van de kaart en het menu Stijl van de Laag-eigenschappen verschijnt dat de regel weergeeft die de herkomst is voor het symbool in de boom.

Het voorbeeld in figure_symbology_5 toont het dialoogvenster van een Regel-gebaseerde renderer voor de laag rivers van de voorbeeld gegevensset van QGIS.

Figure Symbology 5:

../../../_images/rulesymbol_ng_line.png

Opties voor Regel-gebaseerde symbologie

Puntverplaatsing

De renderer pointDisplacementSymbol Puntverplaatsing werkt om alle objecten in een puntenlaag te visualiseren, zelfs als zij dezelfde locatie hebben. De symbolen van de punten worden op een verplaatsingscirkel geplaatst rondom een symbool in het centrum om dit te doen.

Figure Symbology 6:

../../../_images/poi_displacement.png

Dialoogvenster Puntverplaatsing

Notitie

U kunt nog steeds objecten renderen met andere renderers zoals de renderer Enkel symbool, Gradueel, Categorieën of Regel-gebaseerd met behulp van de keuzelijst Renderer en dan de knop Instellingen ‘renderer’....

Geïnverteerde polygonen

De renderer invertedSymbol Geïnverteerde polygonen stelt de gebruiker in staat een symbool te definiëren om het gebied buiten de polygonen op de laag te vullen. Zoals hierboven kunt u subrenderers selecteren, namelijk Enkel symbool, Gradueel, Categorieën, Regel-gebaseerd of de 2.5 D renderer.

Figure Symbology 7:

../../../_images/inverted_polygon_symbol.png

Dialoogvenster Geïnverteerde polygonen

Heatmap

Met de renderer heatmapSymbol Heatmap kunt u live dynamische heatmaps maken voor (multi)puntlagen. U kunt de radius voor de heatmap specificeren in pixels, mm of kaarteenheden, een kleurenbalk kiezen voor de stijl van de heatmap style en een schuifbalk gebruiken voor het selecteren van een verhouding tussen snelheid van renderen en kwaliteit. U kunt ook een grens voor de maximale waarde definiëren en een gewicht aan punten geven met behulp van een veld of een expressie. Wanneer een object wordt toegevoegd of verwijderd werkt de renderer voor de heatmap de stijl voor de heatmap automatisch bij.

Figure Symbology 8:

../../../_images/heatmap_symbol.png

Dialoogvenster Heatmap

2.5 D

Met behulp van de renderer the 25dSymbol 2.5 D is het mogelijk om een 2.5 D-effect op de objecten van uw lagen toe te passen. U begint door een waarde Hoogte te kiezen (in kaarteenheden). Daarvoor kunt u een vaste waarde gebruiken, één of meer velden uit uw laag, of een expressie. U dient ook een Hoek (in graden) te kiezen om de positie van het kijken opnieuw te bepalen (0° betekent West, groeiend tegen de klok in). Gebruik gevorderde opties voor configuratie om de Kleur dak en Kleur muur in te stellen. Indien u zonneschijn zou willen simuleren op de wanden van de objecten, zorg er dan voor om het keuzevak voor de optie checkbox Muren voorzien van schaduw, gebaseerd op aspect te selecteren. U kunt ook een schaduw simuleren door een Kleur en Grootte (in kaarteenheden) in te stellen.

Figure Symbology 9:

../../../_images/2_5dsymbol.png

2.5 D dialoogvenster

Tip

2.5 D-effect gebruiken met andere renderers

Als u eenmaal het instellen van de basisstijl hebt voltooid voor de renderer 2.5 D, kunt u deze converteren naar een andere renderer (Enkel, Categorieën, Gradueel). De 2.5 D-effecten zullen worden behouden en alle andere specifieke opties voor de renderer zullen beschikbaar zijn om ze fijn af te stemmen (op deze manier kunt u bijvoorbeeld gecategoriseerde symbolen met een keurige 2.5 D-weergave krijgen of enige extra opmaak toe te voegen aan uw 2.5 D-symbolen). U moet misschien Symboollagen ( Geavanceerd ‣ Symboollagen...) inschakelen om er voor te zorgen dat de schaduw en het “building” zelf niet interfereren met andere objecten in de nabijheid. De 2.5 D waarden voor hoogte en hoek worden opgeslagen in de variabelen van de laag, dus u kunt ze later nog bewerken op de tab Variabelen van het dialoogvenster Laag-eigenschappen.

Renderen van lagen

Vanaf de tab Stijl kunt u ook enkele opties instellen die altijd acteren op alle objecten van de laag:

  • Transparantie laag slider: U kunt hiermee onderliggende lagen zichtbaar maken in het kaartvenster. Gebruik de schuifbalk om de transparantie van de geselecteerde vectorlaag aan te passen. Rechts naast de schuifbalk kunt u een exact gewenst percentage voor de transparantie invullen.

  • Laag meng-modus en Object meng-modus: Met dit gereedschap kunt u speciale effecten op de kaart toepassen die voorheen alleen bekend waren van grafische programma’s. De pixels van de overliggende en onderliggende lagen worden vermengd volgens de instellingen zoals beschreven in Meng-modi..

  • Toepassen van tekeneffecten op alle objecten van de laag met de knop Tekeneffecten.

  • Volgorde van renderen van objecten beheren stelt u in staat, met behulp van attributen van objecten, de Z-volgorde te definiëren waarin zij zullen worden gerenderd. Activeer het keuzevak en klik op de knop browseButton ernaast. U krijgt dan het dialoogvenster :guilabel:`Volgorde definiëren ` waarin u:

    • een veld kunt kiezen of een expressie kunt bouwen om op de objecten van de laag toe te passen

    • in te stellen in welke volgorde de opgehaalde objecten zouden moeten worden gesorteerd, d.i. als u de volgorde Oplopend kiest, zullen de objecten met een lagere waarde onder die met een hogere waarde staan.

    • te definiëren wanneer objecten NULL-waarde teruggeven zij moeten worden gerenderd, als: eerste of laatste.

    U kunt verscheidene regels voor volgorde toevoegen. De eerste regel wordt toegepast op alle objecten in de laag, in de Z-volgorde overeenkomstig de teruggegeven waarde. Dan, voor elke groep objecten met dezelfde waarde (inclusief die met de waarde NULL) en dus hetzelfde niveau Z, wordt de volgende regel toegepast om de items te sorteren. Enzovoort...

    Als het dialoogvenster Volgorde definiëren is toegepast wordt een overzicht van de expressie(s) die zijn gebruikt voor het laag renderen weggeschreven in het tekstvak naast de optie checkbox Volgorde van renderen van objecten.

Figure Layer Rendering 1:

../../../_images/layer_rendering_options.png

Opties voor renderen van de laag

Andere instellingen

Symboollagen

Voor renderers die gestapelde symboollagen toestaan (alleen Heatmap doet dat niet) is er een optie om de volgorde van renderen van elke symboollaag te beheren.

Voor de meeste renderers krijgt u toegang tot de optie Symboollafen door te klikken op de knop [Geavanceerd] onder de opgeslagen lijst met symbolen en te kiezen voor Symboollagen. Voor de Renderer Regel-gebaseerd is de optie direct beschikbaar via de knop [Symboollagen], terwijl voor de renderer Puntverplaatsing dezelfde knop in het dialoogvenster Instellingen ‘renderer’.

Selecteer checkbox Symboollagen tonen om de symboollagen te actieveren. Elke rij zal worden weergegeven als een klein voorbeeld van het gecombineerde symbool, het label ervan en de individuele symboollaag opgedeeld in kolommen met een getal ernaast. De nummers vertegenwoordigen het niveau van volgorde van renderen waarin de symboollaag zal worden getekend. Lagere waarden worden eerst getekend, blijven onderop, terwijl hogere waarden later worden getekend, bovenop de andere.

Figure Symbols levels 1:

../../../_images/symbol_levels.png

Dialoogvensters Symboollagen

Notitie

Als symboollagen zijn uitgeschakeld, zullen volledige symbolen worden getekend overeenkomstig hun respectievelijke volgorde als object. Overlappende symbolen zullen eenvoudigweg worden verborgen door andere eronder. Daarnaast zullen soortgelijke symbolen niet met elkaar worden “samengevoegd”.

Figure Symbols levels 2:

../../../_images/symbol_levels_examples.png

Geactiveerde symboollagen (A) en uitgeschakelde (B) verschil

Tekeneffecten

Voor het verbeteren van het renderen van lagen en om het gebruiken van andere software voor het uiteindelijke renderen van kaarten te vermijden (of ten minste te verminderen), verschaft QGIS een andere krachtige functionaliteit: de opties paintEffects Tekeneffecten die tekeneffecten toevoegen voor het aanpassen van de visualisatie van vectorlagen.

De optie is beschikbaar in het dialoogvenster Laag-eigenschappen –> Stijl, onder de groep Laag rendering (die wordt toegepast op de gehele laag) of in eigenschappen van symboollagen (wordt toegepast op de overeenkomende objecten). U mag de beide gebruikswijzen combineren.

Tekeneffecten kunnen worden geactiveerd door de optie checkbox Tekeneffecten te selecteren en te klikken op de knop paintEffects Effecten aanpassen, tdie het dialoogvenster Eigenschappen effecten zal openen (zie figure_effects_1). De volgende typen effecten, met opties om ze aan te passe, zijn beschikbaar:

  • Bron: Tekent de originele stijl van het object overeenkomstig de configuratie van de eigenschappen van de laag. De transparantie van de stijl ervan kan worden aangepast.

    Figure Effects 1:

    ../../../_images/source.png

    Tekeneffecten: dialoogvenster Bron

  • Vervagen: Voegt het effect van vervagen toe aan de vectorlaag. De opties die men kan wijzigen zijn het Type vervagen (Stapel vervagen of Gaussiaans vervagen), de sterkte en transparantie van het effect Vervagen.

    Figure Effects 2:

    ../../../_images/blur.png

    Tekeneffecten: dialoogvenster Vervagen

  • Kleuren: Dit effect kan worden gebruikt om een versie van de stijl te maken met behulp van één enkele nuance. De basis zal altijd een versie van een grijswaarde van het symbool zijn en u kunt de selectString Grijstinten gebruiken om te selecteren doe die te maken (opties zijn: ‘Lichtsterkte van’, ‘Helderheid van’ en ‘Gemiddelde van’). Als checkbox Kleuren is geselecteerd, zal het mogelijk zijn en andere kleur te mixen en te kiezen hoe sterk die moet zijn. U kunt ook de niveaus van de Helderheid, Contrast en Saturatie beheren van het resulterende symbool.

    Figure Effects 3:

    ../../../_images/colorise.png

    Tekeneffecten: dialoogvenster Kleuren

  • Valschaduw: gebruiken van dit effect voegt een schaduw toe aan het object, wat er uitziet als het toevoegen van ene extra dimensie. Dit effect kan worden aangepast door de graden en straal van de Verspringing te wijzigen, te bepalen waar de schaduw naartoe moet verschuiven en de nabijheid van het bronobject. Valschaduw heeft ook de optie om de de straal van vervangen, de transparantie en de kleur van het effect te wijzigen.

    Figure Effects 4:

    ../../../_images/drop_shadow.png

    Tekeneffecten: dialoogvenster Valschaduw

  • Binnenschaduw: Dit effect is soortgelijk aan het effect Valschaduw, maar het voegt ook het schaduweffect toe aan de binnenkant van de randen van het object. De beschikbare opties voor het aanpassen zijn dezelfde als voor het effect Valschaduw.

    Figure Effects 5:

    ../../../_images/inner_shadow.png

    Tekeneffecten: dialoogvenster Binnenschaduw

  • Binnenste gloed: Voegt het effect van een gloed toe aan de binnenkant van het object. Dit effect kan worden aangepast door de Verdeling (breedte) van de gloed, of de Straal voor vervaging. De laatste specificeert de nabijheid vanaf de rand van het object waar u wilt dat de vervaging wordt toegepast. Aanvullend zijn er opties om de kleur van de gloed aan te passen met één enkele kleur of een kleurenbalk.

    Figure Effects 6:

    ../../../_images/inner_glow.png

    Tekeneffecten: dialoogvenster Binnenste gloed

  • Buitenste gloed: Dit effect is soortgelijk aan het effect Binnenste gloed, maar het voegt ook het schaduweffect toe aan de buitenkant van de randen van het object. De beschikbare opties voor het aanpassen zijn dezelfde als voor het effect Binnenste gloed.

    Figure Effects 7:

    ../../../_images/outer_glow.png

    Tekeneffecten: dialoogvenster Buitenste gloed

  • Transformeren: Voegt de mogelijkheid tot het transformeren van de vorm van het symbool toe. De eerste beschikbare opties voor aanpassen zijn Horizontaal reflecteren en Verticaal reflecteren, die in feite een reflectie maken op de horizontale en/of verticale assen. De 4 andere opties zijn:

    • X,Y schuin trekken: trekt het object schuin langs de X- en/of Y-as

    • X,Y op schaal brengen: vergroot of verkleint het object langs de X- en/of Y-as met het opgegeven percentage

    • Rotatie: draait het object langs zijn middelpunt

    • en X, Y vertalen wijzigt de positie van het item, gebaseerd op een opgegeven afstand voor de X- an/of Y-as.

    Figure Effects 8:

    ../../../_images/transform.png

    Tekeneffecten: dialoogvenster Transformeren

Er zijn enkele algemene opties beschikbaar voor alle typen tekeneffecten. De opties Transparantie en Meng-modus werken soortgelijk aan die welke zijn beschreven in Renderen van lagen en kunnen worden gebruikt voor alle tekeneffecten, met uitzondering van die van Transformeren.

Eén of meerdere tekeneffecten kunnen tegelijkertijd gebruikt worden. U kunt een effect activeren/deactiveren met behulp van zijn keuzevak in de lijst met effecten. U kunt het geselecteerde type effect wijzigen door de optie selectString Type effect ` te gebruiken. U kunt de volgorde van de effecten wijzigen met behulp van de knoppen |arrowUp| :sup:`Naar boven en arrowDown Naar beneden en ook effecten toevoegen/verwijderen met behulp van de knoppen signPlus Effect toevoegen en signMinus Effect verwijderen.

Er is ook een optie selectString Tekenmodus beschikbaar voor elk tekeneffect, en u kunt er voor kiezen om het symbool te renderen en/of aan te passen. Effecten worden van boven naar beneden gerenderd. Modus ‘Alleen renderen’ betekent dat het effect zichtbaar zal zijn, terwijl de modus ‘Alleen aanpassen’ betekent dat het effect niet zichtbaar zal zijn maar dat de wijzigingen die er door worden toegepast zullen worden doorgegeven aan het volgende effect (dat er onmiddellijk onder). De modus ‘Renderen en aanpassen’ zal het effect zichtbaar maken en elke wijziging doorgeven aan het volgende effect. Als het effect het bovenste is in de lijst met effecten of als het effect er onmiddellijk boven niet in de modus Aanpassen staat, dan zal het het originele bronsymbool gebruiken uit de eigenschappen van de laag (soortgelijk aan Bron).

Het menu Labels

De brontoepassing labeling Labels verschaft slim labelen voor vectorpunt-, lijn- en polygoonlagen en het vereist slechts enkele parameters. Deze nieuwe toepassing ondersteunt ook direct getransformeerde lagen. De volgende menu’s worden gebruikt voor het configureren van het labelen van de vectorlagen:

  • Tekst

  • Opmaak

  • Buffer
  • Achtergrond

  • Schaduw

  • Plaatsing

  • Rendering

Start QGIS en laad een vectorlaag om een laag te labelen. Activeer de laag in de legenda en druk op het pictogram labeling Laag-label opties op de werkbalk van QGIS of activeer de tab Labels in het dialoogvenster Laag-eigenschappen..

De eerste stap is om de methode voor labelen te kiezen vanuit de keuzelijst. Er zijn vier opties beschikbaar:

  • Geen labels

  • Labels voor deze laag weergeven

  • Regel-gebaseerd labelen

  • en Blokkeren: maakt het mogelijk een laag slechts in te stellen als een obstakel voor labels van andere lagen zonder labels van zichzelf te renderen.

Selecteer de optie Labels voor deze laag weergeven en selecteer dan uit de lijst van Labelen met een attributenkolom om te gebruiken voor het labelen. Klik op expressionEditorOpen als u labels wilt definiëren die zijn gebaseerd op expressies - Bekijk Labels definiëren die zijn gebaseerd op expressies.

De volgende stappen beschrijven eenvoudig labelen zonder de functies Data-bepaalde override te gebruiken die zich naast de keuzemenu’s bevinden - bekijk Data gedefinieerd labelen gebruiken voor een geval om ze wel te gebruiken.

Menu Tekst

U kunt de tekststijl definiëren in het menu Tekst (bekijk Figure_labels_1 ). Gebruik de optie Hoofd- of kleine letters om het renderen van de tekst te beïnvloeden. U heeft de mogelijkheid om de tekst te renderen in ‘Alles in hoofdletters’, ‘Alles in kleine letters’ of ‘Eerste letter een hoofdletter’. gebruik de Meng-modus om effecten te creëren die bekend zijn van grafische programma’s.

Figure Labels 1:

../../../_images/label_points.png

Slim labelen van punt-vectorlagen

Menu Opmaak

In het menu Opmaak kunt u een teken definiëren voor een regeleinde in de labels met de functie ‘Afbrekingsteken’. U kunt de Tekstregel hoogte en de uitlijning opmaken. Voor de laatste zijn bepaalde waarden beschikbaar plus Plaatsing van labels volgen. Indien ingesteld op deze modus, zal de uitlijning van de tekst van labels afhankelijk van de uiteindelijke plaatsing van het label, relatief ten opzichte van het punt. Bijv, als het label links va het punt wordt geplaatst zal het label rechts worden uitgelijnd, en als het rechts van het punt wordt geplaatst dan zal het label links worden uitgelijnd. Dit verbetert de weergave van labels met meerdere regels voor puntlagen enorm.

Voor lijn-vectorlagen kunt u richtingssymbolen voor de lijnen opnemen. er zijn opties die het type symbool en de plaatsing van het symbool specificeren.

Gebruik de optie checkbox Opgemaakte getallen om de getallen in een attributentabel op te maken. Hier kunnen decimale plaatsen worden ingevoegd. Als u deze optie inschakelt worden drie decimale plaatsen als standaard ingesteld.

Menu Buffer

Activeer eenvoudigweg het keuzevak checkbox Teken tekstbuffer in het menu Buffer om een buffer te maken. De kleur van de buffer is variabel. Hier mag u ook meng-modi gebruiken. Als het keuzevak checkbox Vulkleur buffer is geactiveerd, zal het interactief reageren op gedeeltelijk transparante tekst en meer resultaten voor gemengde kleurtransparantie geven. Uitschakelen van de vulkleur voor de buffer repareert dat probleem (met uitzondering van die waar het aspect van het interieur van de buffer samenkomt met de vulkleur van de tekst) en stelt u ook in staat in omtrek geschreven tekst te maken.

Menu Achtergrond

In het menu Achtergrond kunt u met Grootte X en Grootte Y de vorm van de achtergrond definiëren. Gebruik Lettergrootte om een extra ‘buffer’ in uw achtergrond in te brengen. De grootte van de buffer wordt standaard ingesteld. De achtergrond bestaat dan uit de buffer plus de extra Grootte X en Grootte Y. U kunt met Rotatie de rotatie van het label instellen waarbij u kunt kiezen uit ‘Met label synchroniseren’, ‘Op afstand van label’ en ‘Vast’. Met ‘Op afstand van label’ en ‘Vast’ kan de achtergrond worden geroteerd. Definieer een Op afstand X,Y met X- en Y-waarden en de achtergrond zal verplaatst worden. Wanneer Radius X,Y wordt gebruikt zal de achtergrond afgeronde hoeken krijgen. Het is ook mogelijk de achtergrond met de onderliggende lagen in het kaartvenster te mengen met meng-modus (zie meng-modi).

Menu Schaduw

Gebruik het menu Schaduw voor een gebruikergedefinieerde Valschaduw. Het tekenen van de achtergrond is zeer variabel. Kies uit ‘Laagste label component’, ‘Tekst’, ‘Buffer’ en ‘Achtergrond’. De hoek Verspringing is afhankelijk van de richting van het label. Als u kiest voor het keuzevak checkbox Gebruik globale schaduw, dan is het nulpunt van de hoek altijd gericht op het Noorden en is niet afhankelijk van de richting van het label. U kunt de weergave van de schaduw beïnvloeden met Radius vervagen. Hoe hoger het nummer, hoe vager de schaduwen. De weergave van de valschaduw kan ook worden gewijzigd door een meng-modus te kiezen.

Menu Plaatsing

Kies het menu Plaatsing voor het configureren van plaatsen van labels en prioriteit van de labels. Onthoud dat de opties voor plaatsing verschillen, overeenkomstig het type vectorlaag, namelijk punt, lijn of polygoon.

Plaatsing voor puntlagen

Met de modus voor plaatsing radioButtonOn Cartografisch worden puntlabels gegenereerd met de beste visuele relatie met het puntobject, waarbij ideale cartografische regels voor plaatsing worden gevolgd. Labels kunnen worden geplaatst op een ingestelde Afstand ofwel vanaf het puntobject zelf of vanaf de grenzen van het symbool dat wordt gebruikt om het object weer te geven. Deze laatste optie is speciaal nuttig wanneer de grootte van het symbool niet vast is, bijv. als het wordt ingesteld door een gegevensgedefinieerde grootte of bij het gebruiken van verschillende symbolen in een renderer Categorieën.

Standaard wordt de plaatsing geprioriteerd in de volgende volgorde:

  1. rechtsboven

  2. linksboven

  3. rechtsonder

  4. linksonder

  5. rechts midden

  6. links midden

  7. boven, iets naar rechts

  8. onder, iets naar links

De prioriteit voor plaatsing kan echter ook worden aangepast of ingesteld voor een individueel object met behulp van een gegevensgedefinieerde lijst met geprioriteerde posities. Dit maakt het mogelijk dat slechts enkele bepaalde plaatsingen kunnen worden gebruikt, dus bijv voor objecten langs de kust zou u kunnen voorkomen dat labels boven land worden geplaatst.

De instelling radioButtonOn Rondom centroïde plaatst het label op cirkel met een gelijke straal (ingesteld in Afstand) rondom het object. De plaatsing van het label kan zelfs worden beperkt met behulp van de optie Kwadrant.

In de plaatsing radioButtonOn Op afstand van centroïde worden labels geplaatst op een vaste afstand vanaf het puntobject. U kunt gebruik maken van Kwadrant om aan te geven waar uw label geplaatst moet worden. U kunt dus ook de afstanden voor de verschuiving X en Y instellen tussen de punten en hun labels en u kunt de hoek van de plaatsing van het label wijzigen met de instelling Rotatie. Dus is plaatsing in een bepaald kwadrant onder een bepaalde rotatie mogelijk.

Plaatsing voor lijnlagen

Opties voor labels voor lijnlagen omvatten radioButtonOn Parallel, radioButtonOff Gebogen of radioButtonOff Horizontaal. Voor de opties radioButtonOn Parallel en radioButtonOff Gebogen kunt u de positie definiëren checkbox Boven lijn, checkbox Op lijn en checkbox Onder lijn. Het is mogelijk meerdere opties tegelijkertijd te kiezen. In dat geval zal QGIS de optimale positie voor het label zoeken. Voor de plaatsingen Parallel en Gebogen kunt u ook de richting van de lijn voor de positie van het label gebruiken. Aanvullend kunt u een Maximale hoek tussen bochtvolgende tekens definiëren bij het selecteren van de optie radioButtonOff Gebogen (zie Figure_labels_2 ).

U voor alle drie de opties voor plaatsing een minimale afstand instellen om labels te herhalen. De afstand mag in mm of in kaarteenheden zijn.

Figure Labels 2:

../../../_images/label_line.png

Slim labelen van lijn-vectorlagen

Plaatsing voor polygoonlagen

U kunt kiezen uit één van de volgende opties voor het plaatsen van labels in polygonen: radioButtonOn Op afstand van centroïde, radioButtonOff Horizontaal (langzaam), radioButtonOff Rondom centroïde, radioButtonOff Vrij en radioButtonOff Gebruik omtrek.

Voor de instelling radioButtonOn Op afstand van centroïde kunt u aangeven of de centroïde de radioButtonOn zichtbare polygoon of de radioButtonOff gehele polygoon moet zijn. Dat betekent dat de centroïde ofwel wordt gebruikt voor de polygoon die zichtbaar is op de kaart of dat de centroïde wordt bepaald voor de gehele polygoon, ongeacht of het gehele object op de kaart te zien is. U kunt uw label in een specifiek kwadrant plaatsen en hoeveel afstand en rotatie definiëren. De instelling radioButtonOff Rondom centroïde maakt het mogelijk het label te plaatsen op een bepaalde afstand rondom de centroïde. Ook hier kunt u radioButtonOn zichtbare polygoon of radioButtonOff gehele polygoon voor de centroïde definiëren.

Met de instelling radioButtonOff Gebruik omtrek kunt u een positie en een afstand instellen voor het label. Voor de positie zijn checkbox Boven lijn, checkbox Op lijn, checkbox Onder lijn en checkbox Positieafhankelijke oriëntatie van lijn mogelijk. U kunt de afstand tussen het label en de omtrek van de polygoon specificeren, als ook de interval voor herhaling van het label.

Figure Labels 3:

../../../_images/label_area.png

Slim labelen van polygoon vectorlagen

In het gedeelte Prioriteit kunt u de prioriteit definiëren waarmee de labels worden gerenderd voor alle drie typen vectorlagen (punt, lijn, polygoon). Deze optie voor plaatsing reageert met labels van de andere vectorlagen in het kaartvenster. Als er labels van andere lagen op dezelfde locatie staan, zal het label met de hogere prioriteit worden weergegeven en de andere zullen worden weggelaten.

Menu Rendering

In het menu Rendering kunt u fijn afstemmen wanneer de labels mogen worden gerenderd en hun interactie met andere labels en objecten.

Onder Label opties vindt u de Schaalgebaseerde en de Getoonde is gebaseerd op pixelgrootte instellingen voor zichtbaarheid.

De Label Z-index bepaalt de volgorde waarin labels worden gerenderd, als ook de relatie met andere labels voor objecten in de laag (met behulp van expressies van gegevens-gedefinieerde overschrijvingen), als met labels uit andere lagen. Labels van lagen met een hogere Z-index worden gerenderd bovenop labels van een laag met een lagere Z-index.

Aanvullend is de logica aangepast zodat als 2 labels overeenkomende Z-indexen hebben, dan:

  • als zij van dezelfde laag zijn zal het kleinere label altijd boven het grotere label worden getekend

  • als zij uit verschillende lagen komen zullen de labels worden getekend in dezelfde volgorde als de lagen zelf (d.i. rekening houdende met de volgorde die is ingesteld in de legenda)

Onthoud dat deze instelling niet maakt dat labels onder de objecten van andere lagen worden getekend, het beheert slechts de volgorde waarin labels bovenop alle objecten van de laag worden getekend.

Tijdens het renderen van labels en om leesbare labels weer te kunnen geven, evalueert QGIS automatisch de positie van de labels en zou sommige kunnen verbergen in het geval van botsingen. U kunt er echter voor kiezen om checkbox Toon alle labels voor deze laag (inclusief conflicterende labels) om hun plaatsing handmatig te kunnen repareren.

Met de gegevens-gedefinieerde expressies in Toon label en Toon altijd kunt u fijn afstemmen welke labels zouden moeten worden gerenderd.

Onder Mogelijkheden kun u kiezen voor Elk deel van een samengesteld object labelen en Stel het maximale aantal te labelen objecten in op. Zowel lijn- als polygoonlagen bieden de optie om een minimale grootte voor de te labelen objecten in te stellen met behulp van Onderdruk labelen van objecten kleiner dan. Voor polygoonobjecten kunt u ook de weer te geven labels filteren overeenkomstig het feit of zij volledig in het object passen of niet. Voor lijnobjecten kunt u kiezen voor Aan elkaar verbonden lijnen samenvoegen om labelduplicaten te voorkomen, om een vrij luchtige kaart te renderen in samenwerking met de opties Afstand of Herhaal op de tab Plaatsing.

In het kader Obstakels kunt u de relatie beheren van het bedekken tussen labels en objecten. Activeer de optie checkbox Voorkom dat labels objecten bedekken om te bepalen of objecten van de laag zouden moeten acteren als obstakels voor een label (inclusief labels van andere objecten op dezelfde laag). Een obstakel is een object waarvoor QGIS probeert, zoveel mogelijk, om geen labels op te plaatsen. In plaats van de gehele laag, kunt u een subset van objecten definiëren om als obstakels te gebruiken, met behulp van het besturingselement dataDefined Data-bepaalde override naast de optie.

Het besturingselement slider schuifbalk Prioriteit voor obstakels stelt u in staat labels de voorkeur te laten hebben om objecten uit bepaalde lagen te laten overlappen dan uit andere lagen. Een Laag gewicht prioriteit voor obstakels betekent dat objecten van de laag minder als obstakels worden beschouwd en dus waarschijnlijk een grotere kans hebben te worden bedekt door labels. Deze prioriteit kan ook door gegevens gedefinieerd zijn zodat op dezelfde laag bepaalde objecten waarschijnlijk meer bedekt worden dan andere

Voor polygoonlagen kunt u er voor kiezen dat het type object als obstakel kan zijn het minimaliseren van de plaatsing van labels:

  • Over het interieur van het object: vermijdt plaatsing van labels over het interieur van de polygoon (voorkeur voor plaatsen van labels totaal buiten of slechts enigszins binnen de polygoon)

  • of Over de begrenzing van het object: vermijdt het plaatsen van labels over de begrenzing van de polygoon (voorkeur voor plaatsen van labels buiten of volledig binnen de polygoon). Dit kan bijvoorbeeld nuttig zijn voor lagen met regionale grenzen, waar de objecten een volledig gebied bedekken. In dat geval is het onmogelijk om plaatsing binnen deze objecten te voorkomen en het ziet er veel beter uit om plaatsing over de begrenzing tussen de objecten te voorkomen.

Labels definiëren die zijn gebaseerd op expressies

QGIS maakt het mogelijk om expressies te gebruiken voor de mogelijkheden van labels. Klik eenvoudigweg op het pictogram expressionEditorOpen in het menu labeling Labels van het dialoogvenster Eigenschappen. In figure_labels_4 ziet u een voorbeeld van een expressie om de regio’s van Alaska te labelen met naam en grootte van het gebied, gebaseerd op het veld ‘NAME_2’, enige beschrijvende tekst en de functie ‘$area()’ in combinatie met ‘format_number()’ om het er netter uit te laten zien.

Figure Labels 4:

../../../_images/label_expression.png

Expressies gebruiken voor labelen

Labelen gebaseerd op expressie is eenvoudig om mee te werken. Waar u rekening mee moet houden is:

  • u moet alle elementen (tekenreeksen, velden en functies) combineren met een functie voor het samenvoegen van tekenreeksen, zoals concat, + of ||. Onthoud dat in sommige situaties (null of numerieke waarde betrokken) niet al deze gereedschappen aan uw wensen zullen voldoen

  • tekenreeksen zouden moeten worden omsloten door ‘enkele aanhalingstekens’

  • velden moeten worden omsloten door “dubbele aanhalingstekens” of zonder enig aanhalingsteken.

Laten we eens naar enkele voorbeelden kijken:

 # label based on two fields 'name' and 'place' with a comma as separator
 "name" || ', ' || "place"

 -> John Smith, Paris

 # label based on two fields 'name' and 'place' with other texts
 'My name is ' + "name" + 'and I live in ' + "place"
 'My name is ' || "name" || 'and I live in ' || "place"
 concat('My name is ', name, ' and I live in ', "place")

 -> My name is John Smith and I live in Paris

 # label based on two fields 'name' and 'place' with other texts
 # combining different concatenation functions
 concat('My name is ', name, ' and I live in ' || place)

 -> My name is John Smith and I live in Paris
 -> My name is John Smith     # if the field 'place' is NULL

 # multi-line label based on two fields 'name' and 'place' with a descriptive text
 concat('My name is ', "name", '\n' , 'I live in ' , "place")
 -> My name is John Smith
    I live in Paris

 # label based on a field and the $area function
 # to show the place name and its rounded area size in a converted unit.
 'The area of ' || "place" || ' has a size of ' || round($area/10000) || ' ha'

 -> The area of Paris has a size of 10500 ha

 # create a CASE ELSE condition. If the population value in field
 # population is <= 50000 it is a town, otherwise a city.
 concat('This place is a ', CASE WHEN "population <= 50000" THEN 'town' ELSE 'city' END)

-> This place is a town

Zoals u kunt zien in de expressiebouwer heeft u honderden functies beschikbaar om eenvoudige en zeer complexe expressies te maken om uw gegevens in QGIS te labelen. Bekijk het hoofdstuk Expressies voor meer informatie en voorbeelden over expressies.

Data gedefinieerd labelen gebruiken

Met de functies Data-bepaalde override worden de instellingen voor het labelen overschreven door items uit de attributentabel. U kunt deze functie activeren/deactiveren met de rechter muisknop. Hou de muisaanwijzer boven het symbool en u ziet de informatie over de Data-bepaalde override, inclusief het huidige gebruikte veld voor de definitie. We zullen nu een voorbeeld geven hoe de functie Data-bepaalde override gebruikt kan worden voor de functie moveLabelVerplaats label (zie figure_labels_5 ).

  1. Importeer lakes.shp uit de voorbeeld gegevensset van QGIS.

  2. Dubbelklik op de laag om de Laag-eigenschappen te openen. Klik op Labels en Plaatsing. Selecteer radioButtonOn Op afstand van centroïde.

  3. Ga naar de items Data gedefinieerd. Klik op het pictogram |dataDefine| om te bepalen welk veld gebruikt moet worden voor Coördinaat. Kies ‘xlabel’ voor X en ‘ylabel’ voor Y. De pictogrammen worden nu geel geaccentueerd.

  4. Zoom in op een meer.

  5. Set editable the layer using the toggleEditing Toggle Editing button.
  6. Ga naar de werkbalk Label en klik op het pictogram moveLabel. Nu kunt u het label handmatig naar een andere positie verplaatsen (zie figure_labels_6 ). De nieuwe positie van het label wordt opgeslagen in de kolommen ‘xlabel’ en ‘ylabel’ van de attributentabel.

Figure Labels 5:

../../../_images/label_data_defined.png

Labelen van polygoon vectorlagen met data-bepaalde overrides

Figure Labels 6:

../../../_images/move_label.png

Labels verplaatsen

Regel-gebaseerd labelen

Met Regel-gebaseerd labelen kunnen meerder configuraties voor labels worden gedefinieerd en selectief worden toegepast op basis van filters van expressies, zoals in Regel-gebaseerd renderen.

Regels kunnen worden ingesteld door de overeenkomstige optie te selecteren boven in het paneel Labels (zie figure_labels_7 ).

Figure Labels 7:

../../../_images/label_rules_panel.png

Paneel Regel-gebaseerd labelen

Activeer een bestaande rij door erop te dubbelklikken, of klik op ‘+’ en klik op de nieuwe regel om een regel te maken. In het paneel kunt u de expressie voor het filter en de gerelateerde configuraties voor de labels instellen.

Figure Labels 8:

../../../_images/label_rule_settings.png

Instellingen regels

Menu Velden

attributes in het menu Velden kunt u eigenschappen van de velden van de geselecteerde gegevensset wijzigen. De knoppen newAttribute Nieuwe kolom en deleteAttribute Verwijder kolom kunnen worden gebruikt als de gegevensset in toggleEditing Bewerken aan/uitzetten is gezet.

Wijzig hulpmiddel

Figure Fields 1:

../../../_images/editwidgetsdialog.png

Dialoogvenster om een wijzig-hulpmiddel te kiezen voor een attribuutveld

In het menu Velden vindt u in de lijst van velden ook een kolom Wijzig-hulpmiddel. Deze kolom kan worden gebruikt om waarden of een bereik van waarden te definiëren die zijn toegestaan om te worden toegevoegd aan deze specifieke kolom van de attibutentabel. Wanneer u op de knop [Wijzig-hulpmiddel] drukt, opent een dialoogvenster, waar u de verschillende hulpmiddelen kunt instellen. Deze hulpmiddelen zijn de volgende:

  • Aanvinkvak: Toont een keuzevak en u kunt zelf definiëren welk attribuut moet worden toegevoegd als dit keuzevak is geactiveerd of niet.

  • Classificatie: Toont een keuzelijst met waarden die al gebruikt zijn voor dat veld wanneer je dat veld ook hebt gebruikt om daarmee de symbologie te classificeren in het tabblad Stijl. Voor elke ‘unieke waarde’ is het dan mogelijk een andere symbologie te gebruiken.

  • Kleur: Geeft een knop Kleur weer die de gebruiker in staat stelt een kleur te kiezen uit het dialoogvenster Kleuren.

  • Datum/Tijd: Geeft een regelveld weer dat een widget van een kalender kan openen om een datum, een tijd of beide in te voeren. Het type kolom moet tekst zijn. U kunt een aangepaste indeling kiezen, een kalender op laten komen, etc.

  • Enumeratie: Opent een combinatievak met waarden die gebruikt kunnen worden binnen dit type kolom. Dit wordt momenteel alleen ondersteund voor de provider PostgreSQL.

  • Bestandsnaam: Hiermee kunt u een bestandsnaam invullen door een bestand te selecteren via de bestandskiezer.

  • Verborgen: Een verborgen attribuut is niet zichtbaar. De gebruiker kan de inhoud ervan niet zien.

  • Foto: Het veld bevat de veldnaam van een afbeelding. De breedte en hoogte van het veld kunnen worden gegeven.

  • Range: Maakt het mogelijk numerieke waarden in te stellen binnen een specifiek bereik. het hulpmiddel voor bewerking kan een schuifbalk of een draaiknop zijn

  • Relatie-verwijzing: Dit hulpmiddel laat u het objectformulier van laag waarnaar verwezen wordt inbedden in het objectformulier van de actuele laag. Zie Een tot veel-relaties maken.

  • Tekst bewerken (standaard): Dit opent een tekstveld waarin je meerdere regels tekst kunt ingeven. Als u voor meerdere regels kiest, kunt u ook HTML-inhoud kiezen.

  • Unieke waarden: U kunt één van de al in de attributentabel gebruikte waarden kiezen. Als ‘Aanpasbaar’ is geactiveerd wordt een hulpmiddel voor bewerken getoond met ondersteuning voor automatisch aanvullen, anders wordt een combinatievak gebruikt.

  • UUID Generator: Genereert een alleen-lezen UUID (Universele Unieke IDentificatie), indien leeg.

  • Aanwezige waarden: Een combinatievak met vooraf gedefinieerde items. De waarde is opgeslagen in het attribuut, de omschrijving wordt weergegeven in het combinatievak. U kunt waarden handmatig definiëren of laden vanuit een laag of een CSV-bestand

  • Waarde relatie: Biedt waarden uit een gerelateerde tabel in een combinatievak. U kunt laag, kolom voor sleutel en kolom voor waarde selecteren. Verscheidene opties zijn beschikbaar om het standaard gedrag te wijzigen: Null-waarden toestaan, volgorde op waarde, meerdere selecties toestaan en automatisch aanvullen gebruiken. De formulieren zullen ofwel een keuzelijst of een veld voor tekst bewerken weergeven als het keuzevak voor automatisch aanvullen is ingeschakeld.

  • Webview: Het veld bevat een URL. De breedte en hoogte van het veld zijn variabel.

Notitie

QGIS heeft een geavanceerde ‘verborgen’ optie om uw eigen widget voor een veld te definiëren met behulp van Python en dat toe te voegen aan deze imposante lijst met widgets. Het is niet eenvoudig maar wordt bijzonder goed uitgelegd in het volgende excellente blog dat uitlegt hoe een real time widget voor validatie kan worden gemaakt, dat kan worden gebruikt zoals de beschreven widgets. Zie http://blog.vitu.ch/10142013-1847/write-your-own-qgis-form-elements

Tip

Relatieve paden in widgets

Indien het pad dat is geselecteerd met de bestandsbrowser is geplaatst in dezelfde map als het projectbestand .qgs of lager, worden paden geconverteerd naar relatieve paden. Dit verhoogt de portabiliteit van een project van QGIS met aangehechte informatie voor multimedia. Dit is op dit moment alleen ingeschakeld voor Bestandsnaam, Foto en Webweergave.

Met de Attribuut editor lay-out kunt u nu ingebouwde formulieren definiëren (zie figure_fields_2). Dit is handig bij werkzaamheden voor het invoeren van gegevens of om objecten te identificeren met behulp van de optie Auto open formulier wanneer u veel objecten heeft met veel attributen. U kunt een bewerker maken met verscheidene tabbladen en benoemde groepen om de velden met attributen weer te geven.

Kies ‘Drag and drop ontwerp’ en een kolom van een attribuut. Gebruik het pictogram signPlus om een categorie te maken om een tabblad in te voegen of een benoemde groep (zie figure_fields_3). Bij het maken van een nieuwe categorie zal QGIS een nieuwe tab of een benoemde groep voor de categorie invoegen in het ingebouwde formulier. De volgende stap zal zijn om de relevante velden toe te wijzen aan een geselecteerde categorie met het pictogram arrowRight. U kunt meerdere categorieën maken en dezelfde velden opnieuw gebruiken.

Andere opties in het dialoogvenster zijn ‘Automatisch genereren’ en ‘Geef een UI-bestand op’.

  • ‘Automatisch genereren’ maakt eenvoudigweg bewerkers voor alle velden en tabuleert ze.

  • De optie ‘Geef een UI-bestand op’ kunt u veel complexere dialoogvensters gebruiken die zijn gemaakt met de Qt-Designer. Het gebruik van een UI-bestand geeft veel meer vrijheid om een dialoogvenster te maken. Voor gedetailleerde informatie zie http://nathanw.net/2011/09/05/qgis-tips-custom-feature-forms-with-python-logic/ .

Dialoogvensters van QGIS mogen een Python-functie hebben die wordt aangeroepen als het dialoogvenster wordt geopend. Gebruik deze functie om extra logica aan uw dialoogvensters toe te voegen. De code voor het formulier kan op drie manieren gespecificeerd worden:

  • laden uit de omgeving (bijvoorbeeld in een startup.py of vanuit een plug-in)

  • laden uit een extern bestand, een bestandskiezer zal in dat geval verschijnen om het u mogelijk te maken een bestand voor Python uit uw bestandssysteem te kiezen

  • laden met in-regelige code, een bewerker voor Python zal verschijnen waar u direct de code voor het formulier kunt invoeren

In alle gevallen moet u de naam invoeren van de functie die moet worden aangeroepen (open in het voorbeeld hieronder).

Een voorbeeld is (in module MyForms.py):

def open(dialog,layer,feature):
    geom = feature.geometry()
    control = dialog.findChild(QWidged,"My line edit")

Verwijs als volgt naar de Python-functie Init: open

Figure Fields 2:

../../../_images/attribute_editor_layout.png

Dialoogvenster om categorieën aan te maken met de Attribuut editor layout

Figure Fields 3:

../../../_images/resulting_feature_form.png

Resultaat ingebouwd formulier met tabs en benoemde groepen

Het tabblad Koppelingen

join Het menu Koppelingen stelt u in staat een geladen attributentabel te koppelen aan een geladen vectorlaag. Na het klikken op signPlus, verschijnt het dialoogvenster Vectorkoppeling toevoegen. Als sleutelkolommen dient u een koppellaag te definiëren die u wilt koppelen aan de doel-vectorlaag. Daarna moet u het koppelveld specificeren dat gemeenschappelijk is met zowel de koppellaag als de doellaag. Nu kunt u ook een subset van velden uit de gekoppelde laag specificeren, gebaseerd op het keuzevak checkbox Kies welke velden zijn samengevoegd. Als resultaat van de koppeling wordt alle informatie van de koppellaag en de doellaag weergegeven in de attributentabel van de doellaag als gekoppelde informatie. Als u een subset van velden specificeerde worden alleen die velden weergegeven in de attributentabel van de doellaag.

QGIS heeft momenteel ondersteuning voor het koppelen van niet-ruimtelijke tabelindelingen die worden ondersteund door OGR (bijv., CSV, DBF en Excel), gescheiden tekst en de provider PostgreSQL (zie figure_joins_1).

Figure Joins 1:

../../../_images/join_attributes.png

Een attributentabel koppelen aan een bestaande vectorlaag

Aanvullend stelt het dialoogvenster Vectorkoppeling toevoegen u in staat om:

  • checkbox Koppellaag in virtueel geheugen ‘cachen’

  • checkbox Attribuutindex aanmaken op het koppelveld

  • checkbox Kies welke velden zijn samengevoegd

  • Maak een checkbox Aangepast voorvoegsel veldnaam

Het tabblad Diagrammen

diagram Met het tabblad Diagrammen kunt u diagrammen in uw vectorlaag plaatsen (zie figure_diagrams_1).

De huidige bron-implementatie voor diagrammen verschaft ondersteuning voor:

  • taartdiagrammen, een cirkelvormige statistische grafiek opgedeeld in stukken om de numerieke proportie weer te geven. De lengte van de boog van elk stuk is proportioneel aan de kwantiteit die het weergeeft,

  • tekstdiagrammen, een horizontaal gedeelde cirkel waarin de statistische waarden worden weergegeven

  • en histogrammen.

Voor elk type diagram is het menu opgedeeld in vijf tabs:

Attributen

Attributen definieert welke variabelen moeten worden weergegeven in het diagram. Gebruik de knop signPlus Item toevoegen om de gewenste velden te selecteren voor het paneel ‘Toegekende attributen’. Gegenereerde attributen met Expressies kunnen ook worden gebruikt.

U kunt elke rij naar boven of beneden verplaatsen met klikken en slepen, sorteren hoe attributen worden weergegeven. U kunt ook het label in de kolom ‘Legenda’ wijzigen of de kleur van het attibuut door te dubbelklikken op het item.

Dit label is de standaard tekst die wordt weergegeven in de legenda van printvormgeving of de lagenboom.

Figure Diagrams 1:

../../../_images/diagram_tab.png

Vector eigenschappen dialoog met diagram menu

Uiterlijk

Uiterlijk definieert hoe het diagram er uitziet. Het verschaft algemene instellingen die niet interfereren met de statistische waarden zoals:

  • de grafische transparantie, de breedte en kleur van de omtrek

  • de breedte van de balken in het geval van een histogram

  • de kleur van de achtergrond van de cirkel in het geval van een tekstdiagram, en het voor de teksten gebruikte lettertype

  • de oriëntatie van de linker lijn van het eerste stuk dat wordt weergegeven in het taartdiagram. Onthoud dat stukken met de klok mee worden weergegeven.

In dit menu kunt u ook de zichtbaarheid van het diagram beheren:

  • door diagrammen te verwijderen die andere overlappen of Alle diagrammen tonen, zelfs als zij elkaar overlappen

  • door de schaalafhankelijke zichtbaarheid in te stellen

Grootte

Grootte is de hoofdtab om in te stellen hoe de geselecteerde statistieken worden weergegeven. De eenheid voor grootte van het diagram mag ‘Kaarteenheid’ of ‘Millimeter’ zijn. U kunt gebruiken:

  • Vaste grootte, een unieke grootte om de grafiek van alle objecten weer te geven, behalve bij het weergeven van een histogram

  • of Geschaalde grootte, gebaseerd op een expressie met behulp van attributen van de laag.

Figure Diagrams 2:

../../../_images/diagram_tab_size.png

Dialoogvenster Vectoreigenschappen met menu Diagram, tab Grootte

Plaatsing

Plaatsing helpt om de positie van het diagram te definiëren. Overeenkomstig het type geometrie van de laag beidt het verschillende opties voor de plaatsing:

  • ‘Boven zwaartepunt’ of ‘Rondom zwaartepunt’ voor puntgeometrie. De laatste variabele vereist een straal om te volgen.

  • ‘Boven lijn’ of ‘Rondom lijn’ voor lijngeometrie. net als bij een puntobject vereist de laatste variabele een afstand om te respecteren en de gebruiker kan de plaatsing van het diagram specificeren, relatief aan het object (‘boven’, ‘op’ en/of ‘onder’ de lijn) Het is mogelijk om verscheidene opties in één keer te selecteren. In dat geval zal QGIS zoeken naar de optimale positie voor het diagram. Onthoud dat u hier ook de oriëntatie van de lijn kunt gebruiken voor de positie van het diagram.

  • ‘Boven zwaartepunt’, ‘Rondom zwaartepunt’ (met een ingestelde afstand), ‘Omtrek’ en ergens ‘Binnen polygoon’ zijn de opties voor polygoonobjecten.

Het diagram kan ook worden geplaatst met behulp van gegevens van het object door de velden X en Y te vullen met een attribuut van het object.

De plaatsing van de diagrammen kan effect hebben op het labelen, dus kunt u conflicten met posities tussen diagrammen en labels detecteren en oplossen door de schuifbalk Prioriteit in te stellen of de waarde voor Z-index.

Opties

De tab Opties heeft alleen instellingen voor histogram. U kunt er voor kiezen dat de oriëntatie van de balk zou moeten zijn ‘Omhoog’, ‘Omlaag’, ‘Rechts’ en ‘Links’.

Tip

Snel tussen diagrammen schakelen

Gegeven het feit dat nagenoeg alle instellingen hierboven algemeen zijn voor de verschillende typen diagram, kunt u, bij het ontwerpen van uw diagram, eenvoudig het type diagram wisselen en controleren welke beter toe te passen voor uw gegevens, zonder enig verlies.

Praktijkvoorbeeld

We zullen een voorbeeld geven waarbij we in de Alaska boundary-laag een tekstdiagram weergeven met temperatuurgegevens uit een klimaat vectorlaag. Beide vectorlagen zijn onderdeel van de voorbeeld gegevensset van QGIS (zie gedeelte Voorbeeldgegevens).

  1. Klik eerst op het pictogram addOgrLayer Vectorlaag toevoegen, ga naar de map waarin zich de voorbeeld gegevensset van QGIS bevindt en laad de twee shapefiles alaska.shp en climate.shp.

  2. Dubbelklik op de laag climate in de kaartlegenda waarna het menu Laag Eigenschappen opent.

  3. Klik op het menu Diagrammen, activeer Diagrammen tonen en selecteer uit het combinatievak Diagram type selectString Tekstdiagram als type diagram.

  4. In de tab Uiterlijk kiezen we een lichtblauw als achtergrondkleur en in de tab Grootte stellen we een vaste grootte in van 18 mm.

  5. Op de tab Positie kan Plaatsing worden ingesteld op ‘Rondom centroïde’.

  6. In het diagram willen we de waarden van de eerste drie kolommen tonen. T_F_JAN, T_F_JUL en T_F_MEAN. Selecteer dus eerst op de tab Attributen T_F_JAN en klik op de groene knop signPlus, herhaal dat voor T_F_JUL en tenslotte voor T_F_MEAN.

  7. Druk nu op de knop [Apply] om het diagram te tonen in het hoofdvenster van QGIS.

  8. U kunt de grootte van het diagram aanpassen in de tab Grootte. Activeer de radioButtonOn Geschaalde grootte en stel de grootte van het diagram in op basis van de Maximale waarde van een attribuut en de optie Grootte. Als het diagram op het scherm te klein lijkt te zijn, kunt u het keuzevak checkbox Vergroot kleine diagrammen activeren en de minimale grootte van de diagrammen definiëren.

  9. Wijzig de kleuren voor de attributen door dubbel te klikken op de waarden voor de kleuren in het veld Toegekende attributen. Figure_diagrams_3 geeft een indruk van het resultaat.

  10. Klik tenslotte op [Ok].

Figure Diagrams 3:

../../../_images/climate_diagram.png

Diagram met gegevens over temperaturen geprojecteerd op een kaart

Onthoud dat op de tab Positie, een checkbox Data-bepaalde positie van de diagrammen mogelijk is. Hier kunt u attributen gebruiken om de positie van het diagram te definiëren. U kunt ook een schaalafhankelijke zichtbaarheid instellen op de tab Uiterlijk.

De grootte en de attributen mogen ook een expressie zijn. Gebruik de knop expressionEditorOpen om een expressie toe te voegen. Bekijk het hoofdstuk Expressies voor meer informatie en voorbeeld.

Tabblad Acties

action QGIS geeft de mogelijkheid om een actie te starten waarbij gebruik wordt gemaakt van attribuutwaarden. U kunt meerdere acties per vectorlaag aanmaken waarmee u bijvoorbeeld een ander programma kunt aanroepen waarbij attribuutwaarden als argumenten meegeeft.

Figure Actions 1:

../../../_images/action_dialog.png

Overzicht dialoogvenster Acties met enkele voorbeeldacties

Acties zijn erg handig wanneer u regelmatig een extern programma wilt uitvoeren of een webpagina wilt bekijken die is gebaseerd op een of meer waarden in uw vectorlaag. Zij zijn onderverdeeld in 6 typen die als volgt gebruikt kunnen worden:

  • De acties Algemeen, Mac, Windows en Unix starten een extern proces.

  • De actie Python voert een expressie in Python uit.

  • Acties Algemeen en Python zijn overal zichtbaar.

  • De acties Mac, Windows en Unix zijn alleen zichtbaar op die specifieke besturingssystemen (u kunt bijv. drie acties ‘Bewerken’ maken om een bewerkingsprogramma te openen, maar de gebruikers kunnen alleen de actie ‘Bewerken’ voor hun platform zien en uitvoeren om het bewerkingsprogramma uit te voeren).

Er zijn enkele voorbeelden opgenomen in het dialoogvenster. U kunt deze laden door te klikken op [Standaard acties toevoegen]. Een voorbeeld is een zoekactie gebaseerd op een waarde van een attribuut. Dit concept is gebruikt in volgende bespreking.

Acties definiëren

Acties op attributen worden gedefinieerd in het vectordialoogvenster vector Laag eigenschappen. Open het vectordialoogvenster Laag-eigenschappen en klik op het menu Acties om een actie te definiëren. Ga naar Actie-eigenschappen. Selecteer ‘Algemeen’ als type en geef een beschrijvende naam voor de actie. De actie zelf moet de naam van de toepassing bevatten die moet worden uitgevoerd als de actie wordt gestart. U kunt één of meer waarden van velden met attributen als argumenten toevoegen voor de toepassing. Wanneer de actie wordt gestart, zal elke set tekens die begint met een %, gevolgd door de naam van een veld, worden vervangen door de waarde van dat veld. De speciale tekens %% zullen worden vervangen door de waarde van het veld dat werd geselecteerd uit de resultaten van de identificatie of de attributentabel (zie using_actions hieronder). Dubbele aanhalingstekens kunnen worden gebruikt om tekst te groeperen naar één enkel argument voor het programma, script of de opdracht. Dubbele aanhalingstekens zullen worden genegeerd indien zij worden voorafgegaan door een backslash.

Wanneer u veldnamen gebruikt waarvan de naam een deel vormt van een andere veldnaam (bijv. col1 en col10) zou u dat moeten aangeven door rechte haken om de veldnaam (en het % teken) te plaatsen (bijv. [\%col10]). Dit voorkomt dat het veld %col10 wordt gelezen als veld %col1 met daarachter de tekst 0. De rechte haken zullen door QGIS worden verwijderd bij het vervangen door de veldwaarde. Als u echter wilt dat het te vervangen veld wordt omgeven door rechte haken, gebruik dan een tweede paar, bijvoorbeeld: [[\%col10]].

Met behulp van het gereedschap Objecten identificeren kunt u het dialoogvenster Identificatieresultaten openen. Dit heeft een deel (Afgeleid) dat informatie bevat die relevant is voor dit type vectorlaag. Toegang tot de waarden in dit item kan worden verkregen op een soortgelijke wijze als tot andere velden door de naam van het afgeleide veld vooraf te laten gaan door (Afgeleid).. Een puntenlaag heeft bijvoorbeeld de afgeleide velden X en Y en de waarden van die velden kunnen in een actie worden gebruikt als %(Afgeleid).X en %(Afgeleid).Y. De afgeleide waarden zijn alleen beschikbaar vanuit het dialoogvenster Identificatieresultaten niet uit het dialoogvenster Attributentabel.

Twee voorbeeldacties worden hieronder weergegeven:

  • konqueror http://www.google.com/search?q=%nam
  • konqueror http://www.google.com/search?q=%%

In het eerste voorbeeld wordt de webbrowser Konqueror gestart en een URL ingegeven als argument. Er wordt zoekactie via Google uitgevoerd op de waarde van het veld nam van onze vectorlaag. Let er op dat de toepassing wel in het pad staat, anders moet u ook het volledige pad ingeven. We zouden het eerste voorbeeld kunnen herschrijven als: /opt/kde3/bin/konqueror http://www.google.com/search?q=\%nam om zeker te zijn. Dit zal er voor zorgen dat de toepassing Konqueror zal worden uitgevoerd wanneer de actie wordt gestart.

Het tweede voorbeeld gebruikt de notatie %% , die niet afhankelijk is van een bepaald veld voor zijn waarde. Wanneer de actie wordt gestart, zal %% worden vervangen door de waarde van het geselecteerde veld in Identificatieresultaten of de Attributentabel.

Acties gebruiken

Acties kunnen worden gestart vanuit het venster Identificatieresultaten of vanuit het venster Attributentabel of vanuit Object-actie uitvoeren (onthoud dat deze dialoogvensters kunnen worden geopend door te klikken op identify Objecten identificeren of openTable Attributentabel openen of actionRun Object-actie uitvoeren). Klik met rechts op een record en kies de actie uit het pop-upmenu, om een actie te starten,. Acties zijn in het pop-upmenu vermeld met de naam die u heeft toegewezen bij het definiëren van de actie. Klik op de actie die u wilt starten.

Wanneer u een actie start die de %% notatie gebruikt, selecteer dan eerst het veld dat u wilt meegeven als argument, in het venster Identificatieresultaten of het dialoogvenster Attributentabel zodat de waarde van dat veld wordt meegegeven aan de actie.

Hier volgt nog een voorbeeld dat gegevens uit een vectorlaag haalt en die met behulp van bash en de opdracht echo naar een bestand schrijft (dit werkt dus alleen onder nix en misschien ook onder osx). De betrokken laag heeft velden met de soortnaam taxon_name, de breedtegraad lat en de lengtegraad long. We zouden een ruimtelijke selectie willen maken van locaties en de veldwaarden voor de geselecteerde records willen exporteren naar een tekstbestand (in geel weergegeven in het kaartvenster van QGIS). Hier volgt de actie om dat te bereiken:

bash -c "echo \"%taxon_name %lat %long\" >> /tmp/species_localities.txt"

Na het selecteren van een aantal objecten en het aanroepen van de actie ziet de inhoud van het uitvoerbestand er ongeveer zo uit:

Acacia mearnsii -34.0800000000 150.0800000000
Acacia mearnsii -34.9000000000 150.1200000000
Acacia mearnsii -35.2200000000 149.9300000000
Acacia mearnsii -32.2700000000 150.4100000000

Als oefening kunnen we een actie maken voor de laag lakes waarbij we gegevens opzoeken met Google. Eerst moeten we bepalen wat de URL is waarmee we met een zoekterm kunnen zoeken. Dat doen we door naar Google te gaan en een simpele zoekopdracht uit te voeren en vervolgens uit de adresregel van de webbrowser de gebruikte URL over te nemen. Met deze kleine inspanning zien we dat de indeling van de URL is: http://google.com/search?q=qgis, waarbij in dit geval qgis de zoekterm is. Gewapend met deze kennis kunnen we doorgaan.

  1. Eerst moet de laag lakes zijn geladen.

  2. Open het dialoogvenster Laag eigenschappen door in de legenda te dubbelklikken op de laag of door met rechts te klikken en Eigenschappen te selecteren uit het pop-upmenu.

  3. Open het tabblad Acties.

  4. Geef een naam voor de actie bijvoorbeeld Google Search.

  5. Voor de actie moeten we de opdracht geven waarmee de webbrowser wordt opgestart. In dit geval gebruiken we Firefox. Wanneer het programma niet rechtstreeks kan worden opgestart met alleen de programmanaam dan dient het volledige pad te worden meegegeven.

  6. Geef, na de naam van de webbrowser, de URL in waarmee we gaan zoeken in Google maar zonder de zoekterm: http://google.com/search?q=

  7. De tekst in het veld Actie ziet er nu als volgt uit: firefox http://google.com/search?q=

  8. Selecteer de keuzelijst die de vectorlaag lakes bevat. Deze keuzelijst staat links van de knop [Voer veld in].

  9. Selecteer in de keuzelijst het veld Names en klik op de knop [Voer veld in].

  10. De tekst van actie ziet er nu als volgt uit:

    firefox http://google.com/search?q=\%NAMES

  11. Klik op de knop [Voer actie in] om de actie te voltooien.

Hiermee is de actie aangemaakt en klaar om te gebruiken. De uiteindelijke tekst van de actie zou er zo uit moeten zien:

firefox http://google.com/search?q=%NAMES

We kunnen deze actie nu gebruiken. Sluit het dialoogvenster Laag-eigenschappen. Zorg er voor dat de laag lakes geselecteerd is in de legenda en start de functie Objecten identificeren. Na het selecteren van een meer zie je dat de actie beschikbaar is in het resultaat:

Figure Actions 2:

../../../_images/action_identifyaction.png

Selecteer een object en kies een actie

Wanneer we de actie selecteren, zal deze Firefox opstarten en navigeren naar de URL http://www.google.com/search?q=Tustumena. Het is ook mogelijk om nog meer attribuutvelden aan de zoekterm toe te voegen Daartoe kunt u aan het einde van de tekst van de actie een ‘+’ toevoegen, een ander veld te selecteren en te klikken op [Voer veld in]. Voor dit voorbeeld is er echter geen veld beschikbaar dat zin zou hebben om op te zoeken.

U kunt meerdere acties voor een laag definiëren en elk daarvan zal worden weergegeven in het dialoogvenster Identificatieresultaten.

U kunt ook acties activeren vanuit de attributentabel door een rij te selecteren en met rechts te klikken en dan de actie te kiezen uit het pop-upmenu.

U kunt allerlei toepassingen voor acties bedenken. Als u bijvoorbeeld een puntenlaag heeft die locaties van afbeelding of foto’s bevat met een bestandsnaam, zou u een actie kunnen maken om een viewer te starten om de afbeelding weer te geven. U zou ook acties kunnen gebruiken op web-gebaseerde rapporten voor een attribuutveld of combinatie van velden te starten, die u op dezelfde specificeert als we met ons zoekvoorbeeld voor Google hebben gedaan.

We kunnen ook meer complexe acties maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van acties van Python.

Normaal gebruiken we, als we een actie maken om een bestand met een externe toepassing te openen, absolute paden of eventueel relatieve paden. In het tweede geval is het pad relatief ten opzichte van de locatie van de externe toepassing. Maar wat wanneer we een relatief pad moeten gebruiken, relatief ten opzichte van de geselecteerde laag (een op een bestand gebaseerde laag, zoals een shapefile of een SpatiaLite)? De volgende code geeft een mogelijke oplossing:

command = "firefox"
imagerelpath = "images_test/test_image.jpg"
layer = qgis.utils.iface.activeLayer()
import os.path
layerpath = layer.source() if layer.providerType() == 'ogr'
  else (qgis.core.QgsDataSourceURI(layer.source()).database()
    if layer.providerType() == 'spatialite' else None)
path = os.path.dirname(str(layerpath))
image = os.path.join(path,imagerelpath)
import subprocess
subprocess.Popen( [command, image ] )

We moeten eenvoudigweg onthouden dat de actie van het type Python is en de variabelen command en imagerelpath moeten worden gewijzigd om aan onze behoeften te voldoen.

Maar wat als het relatieve pad relatief moet zijn ten opzichte van het (opgeslagen) projectbestand? De code van de Python-actie zou dan zijn:

command="firefox"
imagerelpath="images/test_image.jpg"
projectpath=qgis.core.QgsProject.instance().fileName()
import os.path
path=os.path.dirname(str(projectpath)) if projectpath != '' else None
image=os.path.join(path, imagerelpath)
import subprocess
subprocess.Popen( [command, image ] )

Een ander voorbeeld van een Python-actie is die welke ons in staat stelt nieuwe lagen toe te voegen aan het project. Bijvoorbeeld: de volgende voorbeelden zullen respectievelijk een vector- en een rasterlaag aan het project toevoegen. De namen van de bestanden die toegevoegd zullen worden, evenals de namen die gegeven worden aan de lagen, zijn reeds geladen gegevens (filename en layername zijn kolomnamen van de attributentabel van de vectorlaag waarmee de actie werd gemaakt.

qgis.utils.iface.addVectorLayer('/yourpath/[% "filename" %].shp',
  '[% "layername" %]', 'ogr')

Het wordt, om een rasterbestand toe te voegen (in dit voorbeeld een TIF-afbeelding):

qgis.utils.iface.addRasterLayer('/yourpath/[% "filename" %].tif',
  '[% "layername" %]')

Het menu Tonen

mapTips Dit menu is specifiek gemaakt voor Kaarttips. Het bevat een nette mogelijkheid: Kaarttip tekst weergeven in HTML. Waar u nog steeds een radioButtonOff Veld kunt kiezen om te worden weergegeven op de kaart wanneer u met de muisaanwijzer over een object gaat, is het nu mogelijk om HTML-code in te voegen die een complexe weergave maakt bij het boven het object zijn. Selecteer de menu-optie Beeld ‣ Kaarttips om Kaarttips te activeren.

Figure Display 1 en 2 geven een voorbeeld van HTML-code en hoe het zich gedraagt in het kaartvenster.

Figure Display 1:

../../../_images/display_html.png

HTML-code voor tip op kaart

Figure Display 2:

../../../_images/map_tip.png

Tip voor kaart gemaakt met HTML-code

Menu Rendering

QGIS biedt ondersteuning voor directe generalisatie voor het object. Dit kan de tijd voor het renderen verbeteren bij het tekenen van vele complexe objecten op kleine schalen. Deze mogelijkheid kan in de instellingen voor de laag worden in- of uitgeschakeld met behulp van de optie checkbox Vereenvoudig geometrie. Er is ook een nieuwe globale instelling die generalisatie standaard inschakelt voor nieuw toegevoegde lagen (zie gedeelte Opties).

Figure Rendering 1:

../../../_images/simplify_rendering.png

Dialoogvenster Geometrie voor laag vereenvoudigen

Notitie

Objectgeneralisatie kan in sommige gevallen artefacten in uw gerenderde uitvoer veroorzaken. Dit kunnen versplinteringen zijn tussen polygonen en niet nauwkeurig renderen bij het gebruiken van op verplaatsing gebaseerde symboollagen.

Bij het renderen van extreem gedetailleerde lagen (bijv. polygoonlagen met een zeer groot aantal knopen), kan dit zorgen voor extreem grote export naar de indelingen PDF/SVG in printvormgeving omdat alle knopen worden opgenomen in het geëxporteerde bestand. Dit kan er ook voor zorgen dat het resulterende bestand erg langzaam wordt om mee te werken/te openen in andere programma’s.

Selecteren van checkbox Laag forceren om te renderen als een raster forceert deze lagen om te worden gerasterd zodat de geëxporteerde bestanden niet alle knopen behoeven te bevatten die zijn opgenomen in deze lagen en het renderen wordt daardoor sneller.

U kunt dit ook doen door Printvormgeving te dwingen om als een raster te exporteren, maar dat is een alles-of-niets oplossing, gegeven het feit dat het rasteren wordt toegepast op alle lagen.

Tabblad Metadata

metadata Het menu Metadata bestaat uit de gedeelten Omschrijving, Naamsvermelding, MetadataURL, LegendUrl en Eigenschappen.

In het gedeelte Eigenschappen krijgt u algemene informatie over de laag, inclusief specificaties over het type en locatie, aantal objecten, type objecten en mogelijkheden voor bewerking. De tabel Extent geeft u informatie over het bereik van de kaart en onder Ruimtelijk Referentie Systeem vindt u informatie over welk coördinatensysteem is gebruikt voor de laag. Dit kan een snelle manier verschaffen om informatie over de laag te krijgen.

Aanvullend kunt u een titel en korte inhoud toevoegen of bewerken voor de laag in het gedeelte Omschrijving. Het is ook mogelijk om hier een Sleutelwoordenlijst te definiëren. Deze sleutelwoordenlijst kan worden gebruikt in een catalogus voor metadata. Als u een titel wilt gebruiken uit een XML- metadatabestand, moet u de link invullen in het veld DataUrl.

Gebruik Naamsvermelding om gegevens van attributen uit een catalogus met XML-metadata te halen.

In MetadataUrl kunt u het algemene pad definiëren naar de catalogus met de XML-metadata. Deze informatie zal worden opgeslagen in het projectbestand van QGIS voor volgende sessies en zal worden gebruikt voor de server van QGIS.

In het gedeelte LegendUrl kunt u de URL van een afbeelding voor de Legenda invullen in het veld URL. U kunt de keuzelijst voor de optie Formaat selecteren om de toepasselijke indeling voor de afbeelding toe te passen. Momenteel worden de indelingen voor afbeeldingen png, jpg en jpeg ondersteund.

Figure Metadata 1:

../../../_images/vector_metadata_tab.png

Menu Metadata in het dialoogvenster Eigenschappen voor vectorlagen

Laageigenschappen opslaan en delen

Aangepaste stijlen beheren

Wanneer een laag wordt toegevoegd aan het kaartvenster, gebruikt QGIS standaard een willekeurig symbool/kleur om de objecten daarvan te renderen. U kunt echter een standaard symbool instellen in Project ‣ Projecteigenschappen ‣ Standaard stijlen dat zal worden toegepast op elke nieuw toegevoegde laag, overeenkomstig het type geometrie.

Maar de meeste keren zult u de voorkeur hebben voor een aangepaste en meer complexe stijl die automatisch of handmatig (met minder inspanningen) kan worden toegepast op de lagen. U kunt dit doel bereiken met behulp van het combinatievak Stijl aan de onderzijde van het dialoogvenster Laag-eigenschappen. Dit combinatievak verschaft u functies om stijlen te maken, te laden en te beheren.

Een stijl bevat alle informatie die is ingesteld in het dialoogvenster Laag-eigenschappen om te renderen of voor de interactie met de objecten (inclusief instellingen voor symbologie, labelen, actie, diagram...).

Figure Vector Properties 10:

../../../_images/style_combobox.png

Opties combinatievak Stijl

Standaard wordt de stijl die wordt toegepast op een geladen laag standaard genoemd. Als u eenmaal de ideale en toepasselijke rendering voor uw laag heeft, kunt u die opslaan door te klikken op het combinatievak selectString Stijl en kiezen:

  • Huidige hernoemen: De actieve stijl wordt hernoemd en bijgewerkt naar de huidige opties

  • Toevoegen: Een nieuwe stijl wordt gemaakt met behulp van de huidige opties.

Onder in de keuzelijst van Stijl ziet u de stijlen voor de lagen en de actieve is geselecteerd. Als u eenmaal meer dan één stijl hebt gedefinieerd voor een laag, kan de optie Huidige verwijderen u helpen om die te verwijderen die u niet langer wilt behouden.

Onthoud dat elke keer dat u het dialoogvenster Laag-eigenschappen valideert, de actieve stijl wordt bijgewerkt met de wijzigingen die u heeft gemaakt.

U mag net zoveel stijlen maken als u wilt voor een laag, maar er kan er slechts één per keer actief zijn. Gecombineerd met een voorkeuze voor zichtbaarheid van de laag biedt dit een snelle en krachtige manier om complexe projecten met een paar lagen te beheren (geen noodzaak om een laag in de legenda van de kaart te dupliceren).

Tip

Stijlen beheren vanuit het contextmenu van de laag

Klik met rechts op de laag in Paneel Lagen om een stijl voor een laag toe te voegen, te hernoemen of te verwijderen. U kunt ook symbolen voor objecten bewerken.

Een stijl opslaan in een bestand of een database

Waar deze stijlen worden opgeslagen in het project en kunnen worden gekopieerd en geplakt van laag naar laag in het project, is het ook mogelijk om ze buiten het project op te slaan zodat zij in een ander project kunnen worden geladen. Klikken op selectString Stijl ‣ Stijl opslaan slaat het symbool op als een QGIS laagstijlbestand (.qml) of SLD-bestand (.sld). SLD’s kunnen worden geëxporteerd uit elk type renderer – Enkel symbool, Categorieën, Gradueel of Regel-gebaseerd – maar bij het importeren van een SLD, ofwel een Enkel symbool of Regel-gebaseerd renderer wordt gemaakt. Dat betekent dat stijlen van Categorieën of Gradueel worden geconverteerd naar Regel-gebaseerd. Indien u deze renderers wilt behouden, dient u bij de indeling QML te blijven. Aan de andere kant kan het soms zeer handig zijn om deze eenvoudige manier te hebben voor het converteren van stijlen naar regel-gebaseerd.

Als de gegevensbron van de laag een database is (PostGIS of Spatialite bijvoorbeeld), kunt u uw laagstijl ook opslaan in een tabel van de database. Klik eenvoudigweg op het combinatievak Stijl opslaan en kies het item Opslaan in database en vul het dialoogvenster in om een stijlnaam te definiëren, een beschrijving toe te voegen, een UI-bestand en of de stijl de standaard stijl is. U kunt verschillende stijlen aan de database toevoegen. Elke tabel kan echter altijd slechts één standaard stijl hebben.

Bij het laden van een laag in QGIS, als een standaard stijl al bestaat voor deze laag, zal QGIS de laag en de stijl ervan laden. Nadat u de laagstijl hebt aangepast, kunt u Opslaan als standaard, een nieuwe stijl maken die de standaard wordt of Standaard herstellen als u niet tevreden bent.

Figure Vector Properties 2:

../../../_images/save_style_database.png

Dialoogvenster Stijl in database opslaan

Tip

Snel een laagstijl delen in het project

U kunt ook een laagstijl delen in ene project zonder een bestands- of databasestijl te importeren: klik met rechts op de laag in het Paneel Lagen en, uit het combinatievak Stijlen , kopieer de stijl van een laag en plak die in een groep of een selectie van lagen: de stijl wordt toegepast op alle lagen die van hetzelfde type zijn (vector vs raster) als de originele laag en, in het geval van vector, hebben hetzelfde type geometrie (punt, lijn of polygoon).