Outdated version of the documentation. Find the latest one here.

Bewerken

QGIS ondersteunt verschillende mogelijkheden om OGR, SpatiaLite, PostGIS, MSSQL Spatial en Oracle Spatial vectorlagen en tabellen te bewerken.

Notitie

De procedure voor het bewerken van GRASS vectorlagen is anders - zie Digitaliseren en bewerken van een GRASS vectorlaag voor details.

Tip

Tegelijk bewerken

Deze versie van QGIS houdt niet bij of iemand toevallig tegelijkertijd met u hetzelfde object bewerkt. De laatste die zijn wijzigingen opslaat wint.

Het instellen van de toleranties voor snappen en Zoekradius

Voor een optimaal en nauwkeurig bewerken van de geometrieën van de vectorlaag, we dienen een toepasselijke waarde voor de tolerantie voor het snappen en de zoekradius voor punten van objecten in te stellen.

Tolerantie voor ‘snappen’

De tolerantie voor snappen is de afstand die QGIS gebruikt om te Zoeken naar het dichtstbijzijnde punt en/of lijnsegment waar een nieuw punt geplaatst of een bestaand punt naar verplaatst moet worden. Wanneer u zich niet binnen de afstand voor snappen bevindt, dan zal QGIS het punt daar plaatsen waar de muiscursor wordt losgelaten, in plaats van te snappen aan een bestaand punt en/of segment. De instellingen van de tolerantie voor snappen heeft effect op alle gereedschappen die toleranties gebruiken.

  1. Een algemene projectbrede tolerantie voor snappen kan worden gedefinieerd via het menu Extra ‣ options Opties, tab Digitaliseren. U kunt kiezen tussen ‘Naar hoekpunt’, ‘Naar segment’ en ‘Naar hoekpunt en segment’ als de standaard ‘snap’-modus. Je kunt ook een standaard tolerantie voor snapping en een zoekradius voor aanpassingen van hoekpunten instellen. De toleranties kunnen ingesteld worden op kaarteenheden of in pixels. Het voordeel van het gebruik van pixels is dat u dan niet telkens na in- en uitzoomen de toleranties moet aanpassen. In ons kleine project voor digitaliseren (werkend met de gegevensset Alaska), definiëren we de eenheden voor snappen in feet. Uw resultaten kunnen variëren, maar bij een kaartschaal van 1:10000 is een tolerantie voor snappen in kaarteenheden van ongeveer 300 ft een werkbare instelling.

  2. Een op laag gebaseerde tolerantie voor ‘snappen’ die de globale opties voor snappen overschrijft kan worden ingesteld door te kiezen voor Extra ‣ :menuselection:`Opties voor snappen.... Het schakelt de modus ‘snappen’ en tolerantie voor elke laag in en past die aan (zie figure_edit_1 ). Dit dialoogvenster biedt drie verschillende modi om de laag(lagen) te selecteren om aan te snappen:

    • Huidige laag: alleen de actieve laag wordt gebruikt, een handige manier om er voor te zorgen dat de topologie op de laag wordt bewerkt

    • Alle lagen: een snelle en eenvoudige instelling voor alle zichtbare lagen in het project zodat de muisaanwijzer snapt aan alle punten en/of segmenten. In de meeste gevallen is het voldoende om deze modus voor snappen te gebruiken.

    • Geavanceerd: wanneer u één laag moet bewerken waarbij de punten moeten snappen aan de punten van een andere laag, activeer dan snappen voor die andere laag en vergroot de standaard tolerantie voor ‘snappen’ naar een grotere waarde. Verder zal snappen nooit plaatsvinden naar een laag die niet is geselecteerd in de opties voor ‘snappen’ voor lagen, ongeacht de globale toleranties voor ‘snappen’. Zorg er dus voor dat u het keuzevak selecteert voor de lagen waar u wel aan wilt snappen.

Figure Edit 1:

../../../_images/editProjectSnapping.png

Opties voor snappen op laagniveau bewerken (modus Geavanceerd)

Tip

De lijst van lagen om aan te snappen beheren

Het dialoogvenster Snapping opties is standaard gevuld met parameters (modus, tolerantie, eenheden) ingesteld op de globale tab Digitaliseren. Definieer de Standaard ‘snap’-modus op Uit om te vermijden dat lagen die standaard worden geselecteerd in de modus Geavanceerd en desondanks worden ingesteld om aan te snappen.

Tolerantie voor snappen kan worden ingesteld in pixels of kaarteenheden (de eenheden van de kaartweergave). Bij gebruik van de laagselectie modus Geavanceerd is het mogelijk een tolerantie voor snappen te gebruiken die verwijst naar laageenheden, de eenheden van de opnieuw geprojecteerde laag als ‘Directe CRS transformatie gebruiken’ is ingeschakeld.

Zoekradius

De zoekradius is de afstand die QGIS gebruikt om het dichtstbijzijnde punt te vinden wanneer u op de kaart klikt. Wanneer u zich niet binnen die afstand bevindt, zal QGIS geen punt vinden en selecteren om te bewerken. Zowel tolerantie voor snappen als zoekradius worden in kaarteenheden of pixels ingesteld, dus u moet misschien wat experimenteren om de goede instellingen te vinden. Wanneer u een te grote tolerantie voor snappen instelt, zou QGIS aan het verkeerde punt kunnen snappen, speciaal wanneer u een groot aantal punten heeft die dicht bij elkaar liggen. Stel de zoekradius te klein in en deze zal niets vinden om te verplaatsen.

De zoekradius voor het bewerken van punten in laageenheden kan worden ingesteld op de tab Digitaliseren onder Extra ‣ options Opties. Dit is dezelfde plaats waar u de algemene, projectbrede tolerantie voor snappen instelt.

Topologische bewerkingen

Vanuit het dialoogvenster Snapping opties in het menu Extra (of File) kunt u ook instellen of er bij bewerkingen rekening moet worden gehouden met topologische relaties tussen lagen onderling. Hier kunt u het keuzevak checkbox Topologisch bewerken aanzetten definiëren en/of voor polygoonlagen de optie checkbox Voorkom kruisingen activeren.

Topologisch bewerken aanzetten

De optie checkbox Topologisch bewerken aanzetten is voor het bewerken en onderhouden van gedeelde grenzen in polygoon-mozaïeken. QGIS ‘herkent’ gedeelde grenzen in een polygoon-mozaïek, dus u hoeft alleen het gedeelde hoekpunt te verplaatsen en QGIS zal zorgen voor het bijwerken van de naburige objecten.

Kruisingen voorkomen

Een tweede topologische instelling, genaamd Voorkom kruisingen, voorkomt dat u nieuwe objecten tekent die een bestaand overlappen. Dit is voor het sneller digitaliseren van aanliggende polygonen. Als u al een polygoon heeft, is het met deze optie mogelijk de tweede te digitaliseren zodat zij kruisen, en QGIS snijdt dan de tweede bij tot de grens van de bestaande. Het voordeel is dat u niet alle punten van de gemeenschappelijke grens hoeft te digitaliseren.

Notitie

Als de nieuwe geometrie totaal wordt bedekt door bestaande, worden die opgeschoond en zal het nieuwe object geen geometrie indien dat wordt toegestaan door de provider, anders zal bij het opslaan van de aanpassingen QGIS een foutmelding geven.

Waarschuwing

Gebruik de optie Voorkom kruisingen met zorg

Omdat de optie de geometrie van overlappende objecten bijsnijdt of opschoont uit een polygoonlaag, vergeet niet om deze optie te deselecteren als u die niet meer nodig hebt, anders zou u onverwachte geometrieën kunnen krijgen.

Snappen op snijpunten aanzetten

Een andere optie is het keuzevak checkbox Snappen op snijpunten aanzetten. Dit geeft de mogelijkheid te ‘snappen’ naar snijpunten van achtergrondlagen, zelfs wanneer er geen hoekpunt aanwezig is op het snijpunt.

Geometrie controleren

Een bronplug-in kan de gebruiker helpen om te zoeken naar ongeldige geometrieën. U vindt meer informatie over deze plug-in in Plug-in Geometrieën controleren.

Het digitaliseren van een bestaande kaartlaag

Standaard laadt QGIS lagen als alleen-lezen. Dit is een veiligheidsmaatregel die voorkomt dat u een laag gaat wijzigen als u per ongeluk uitschiet met de muis. U kunt er echter voor kiezen elke laag te wijzigen, zolang de provider van de gegevens dat ondersteunt en wanneer u, op bestandsniveau, schrijfrechten hebt voor die bestanden (d.i. als de bestanden niet alleen-lezen zijn).

Over het algemeen zijn gereedschappen voor het bewerken van vectorlagen verdeeld in een werkbalk Digitaliseren en een werkbalk Geavanceerd digitaliseren, die beschreven worden in het gedeelte Geavanceerd digitaliseren. U kunt beide aan-/uitzetten onder Beeld ‣ Werkbalken ‣. Met behulp van de basis gereedschappen voor digitaliseren, kunt u de volgende functies uitvoeren:

Pictogram

Doel

Pictogram

Doel

allEdits

Huidige wijzigingen

toggleEditing

Bewerken aan/uitzetten

capturePoint

Object toevoegen: Punt

captureLine

Object toevoegen: Lijn

capturePolygon

Object toevoegen: Polygoon

moveFeature

Object verplaatsen

circularStringCurvePoint

Cirkel-tekenreeks toevoegen

circularStringRadius

Cirkel-tekenreeks per straal toevoegen

nodeTool

Bewerken van knooppunten

deleteSelected

Geselecteerde verwijderen

editCut

Objecten knippen

editCopy

Objecten kopiëren

editPaste

Objecten plakken

saveEdits

Wijzigingen in laag opslaan

De functies van de werkbalk ‘Digitaliseren’

Onthoud dat bij het gebruiken van een van de gereedschappen voor Digitaliseren, u nog steeds kunt zoomen of verschuiven in het kaartvenster zonder de focus van het gereedschap te verliezen.

Elke sessie waarbij u een laag gaat bewerken begint met kiezen van de optie toggleEditing Bewerken aan/uitzetten die kan worden gevonden in het contextmenu van een laag, in het dialoogvenster van de attributentabel de werkbalk Digitaliseren of het menu Bewerken

Als de laag eenmaal in de modus Bewerken staat, zullen aanvullende gereedschappen op de werkbalk Bewerken beschikbaar komen en markeringen zullen verschijnen op de punten van alle objecten, tenzij de optie Markeringen alleen gebruiken voor geselecteerde objecten onder het menu Extra ‣ Opties... ‣ Digitaliseren is geselecteerd.

Tip

Regelmatig opslaan

Vergeet niet om de knop saveEdits Wijzigingen laag opslaan regelmatig te gebruiken. Deze zal ook controleren of u uw gegevens nog naar de gegevensbron kunt schrijven.

Objecten toevoegen

U kunt de pictogrammen capturePoint Object toevoegen, captureLine Object toevoegen of capturePolygon Object toevoegen op de werkbalk gebruiken om een nieuw object (punt, lijn en polygoon) aan de huidige laag toe te voegen.

De volgende knoppen circularStringCurvePoint Cirkel-tekenreeks toevoegen of circularStringRadius Cirkel-tekenreeks per straal toevoegen stellen gebruikers in staat om objecten lijn of polygoon met een cirkelvormige geometrie toe te voegen.

Begin eerst met het digitaliseren van de geometrie en geef vervolgens de attribuutwaarden in om objecten maken met deze gereedschappen. Klik, om de geometrie te digitaliseren, met de linker knop in het kaartvenster om het eerste punt voor uw nieuwe object te maken.

Blijf, voor lineaire of gebogen geometrieën, met links klikken voor elk aanvullend punt dat u wilt vastleggen of gebruik de mogelijkheid automatisch traceren om het digitaliseren te versnellen. U kunt heen en terug schakelen tussen het lineaire gereedschap Object toevoegen en gebogen gereedschappen Cirkel-tekenreeks toevoegen... om samengestelde gebogen geometrieën te maken. Drukken op de toetsen Delete of Backspace draait de laatste knoop die u heeft toegevoegd terug. Wanneer u gereed bent met het toevoegen van punten, klik dan met rechts ergens in het kaartvenster om te bevestigen dat u gereed bent met het invoeren van de geometrie van dat object.

Notitie

Gebogen geometrieën worden als zodanig alleen opgeslagen in compatibele gegevensproviders

Hoewel QGIS het mogelijk maakt gebogen geometrieën te digitaliseren binnen elke bewerkbare gegevensindeling, dient u een gegevensprovider (bijv. PostGIS, GML ofr WFS) te gebruiken die gebogen vormen ondersteunt om objecten als gebogen op te kunnen slaan, anders maakt QGIS segmenten van de cirkelvormige bogen. De provider voor de geheugenlaag ondersteunt ook bogen.

Tip

Het elastiek voor digitaliseren aanpassen

Bij het vastleggen van polygonen kan het, standaard rode, elastiek onderliggende objecten verbergen op plaatsen waar u een punt zou willen vastleggen. Dit kan worden opgelost door een instelling van een lagere lichtdichtheid (of alfa-kanaal) voor de Kleur vulling van het elastiek in het menu Extra ‣ Opties ‣ Digitaliseren. U kunt ook het gebruiken van het elastiek vermijden door te selecteren Elastiek niet bijwerken gedurende bewerken van knoop.

Het venster voor de attributen zal verschijnen waar u de informatie voor het nieuwe object kunt invoeren. Figure_edit_2 toont het invoeren voor een nieuwe fictieve rivier. Echter, op de tab Digitaliseren in het menu Extra ‣ Opties, kunt u ook activeren:

  • checkbox Voorkom tonen van attributenformulier na intekenen object

  • of checkbox Laatst ingevoerde attribuutwaarden gebruiken om velden automatisch te laten vullen bij het openen van het formulier en alleen gewijzigde waarden in te hoeven vullen.

Figure Edit 2:

../../../_images/editDigitizing.png

Dialoogvenster Attribuutwaarden invoeren na digitaliseren van een nieuw vectorobject

Met het pictogram moveFeature Object(en) verplaatsen op de werkbalk kunt u bestaande objecten verplaatsen.

Bewerken van knooppunten

Voor op shapefile gebaseerde of MapInfo-lagen als ook voor tabellen van SpatiaLite, PostgreSQL/PostGIS, MSSQL Spatial, en Oracle Spatial, verschaft het nodeTool Knooppunt-gereedschap mogelijkheden voor het bewerken van punten van objecten soortgelijke aan CAD-programma’s. Het is mogelijk om eenvoudigweg meerdere punten in één keer te selecteren en ze te verplaatsen, toe te voegen of helemaal te verwijderen. Het Knooppunt-gereedschap werkt ook wanneer ‘gelijktijdige CRS-transformatie’ geactiveerd is en ondersteund de mogelijkheid voor topologisch bewerken. Dit gereedschap is, in tegenstelling tot de meeste andere gereedschappen in QGIS, persistent, dus als een bewerking voltooid is blijft de selectie actief voor dit object en dit gereedschap.

Het is belangrijk om de eigenschap Extra ‣ options Opties ‣ Digitaliseren ‣ Zoekradius voor hoekaanpassingen: selectNumber op een waarde groter dan 0 te zetten Anders zal QGIS u niet kunnen vertellen welk punt bewerkt wordt en zal een waarschuwing weergeven

Tip

Knooppunt markeringen

De huidige versie van QGIS ondersteunt drie soorten markeerstijlen voor het weergeven van de markeringen voor punten: ‘Semi-transparante cirkel’, ‘Kruis’ en ‘Geen’. Kies, om de stijl van de markeringen te wijzigen, options Opties in het menu Extra, klik op de tab Digitaliseren en selecteer het item dat van toepassing is.

Standaard bewerkingen

Start met het activeren van het nodeTool Kooppunt-gereedschap en selecteer een object door hierop te klikken. Rode vierkantjes verschijnen rond elk hoekpunt van dit object.

  • Selecteren van knooppunten: U kunt knooppunten selecteren door er één voor één op te klikken, door op een rand te klikken om de knooppunten aan beide zijden te selecteren of door een vierkant te slepen rondom enkele knooppunten. Wanneer een knooppunt geselecteerd is zal de kleur hiervan blauw worden. U kunt meer knooppunten aan de bestaande selectie toevoegen door met ingedrukte Ctrl-toets knooppunten te selecteren. Door met ingedrukte Ctrl-toets te klikken de status van selectie van de knooppunten schakelen (knooppunten die momenteel niet geselecteerd zijn zullen geselecteerd worden als gewoonlijk, maar ook de knooppunten die geselecteerd zijn zullen niet langer geselecteerd worden).

  • Toevoegen van knooppunten: Om een knooppunt toe te voegen kunt u dichtbij of op een lijnstuk klikken. Het nieuwe knooppunt zal overigens altijd toegevoegd worden op de bestaande lijn en niet op de plaats waar u met de muis hebt geklikt. Het nieuwe knooppunt kunt u, indien nodig, daarna verplaatsen.

  • Verwijderen van knooppunten: Selecteer de knooppunten en klik daarna op de toets Delete. Verwijderen van alle knooppunten uit een object genereert, indien compatibel met de gegevensbron, een object zonder geometrie. Onthoud dat dit niet het volledige object verwijderd, maar slechts het gedeelte geometrie; gebruik, om een object volledig te verwijderen, het gereedschap deleteSelected Geselecteerde verwijderen.

  • Verplaatsen van knooppunten Selecteer eerst alle knooppunten die u wilt verplaatsen. Klik op een geselecteerd knooppunt of een lijn en sleep deze in de richting waarin u alle geselecteerde knooppunten wilt verplaatsen. Wanneer snapping is geactiveerd zal de hele selectie zich verplaatsen (‘snappen’) naar het dichtstbijzijnde knooppunt of lijn.

Elke wijziging die gedaan is met het knooppunt-gereedschap wordt opgeslagen in het dialoogvenster Ongedaan maken. Onthoud dat topologisch bewerken wordt ondersteund voor alle handelingen als dit is geactiveerd. Gelijktijdige CRS transformatie wordt eveneens ondersteunt en het knooppunt-gereedschap geeft helptips om een punt te identificeren als de muisaanwijzer boven een knooppunt zweeft.

Tip

Objecten met precisie verplaatsen

het gereedschap moveFeature Object verplaatsen staat momenteel snappen van objecten niet toe bij het verplaatsen. Met behulp van het gereedschap nodeTool Knooppunt-gereedschap, selecteer ALLE knooppunten van het object, klik op ene punt, sleep en snap het aan een doelpunt: het gehele object wordt verplaatst en gesnapt aan het andere object.

Punten bewerker

Met het activeren van het gereedschap Knooppunt-gereedschap op een object, opent QGIS het paneel Punten bewerker dat alle punten vermeldt van het object met zijn X, Y (Z, M indien van toepassing) coördinaten en r (voor de radius, in het geval van een cirkelvormige geometrie). Selecteer eenvoudigweg een rij in de tabel om het overeenkomstige punt in het kaartvenster te selecteren, en vice versa. Wijzig eenvoudigweg een coördinaat in de tabel en de positie van uw punt wordt bijgewerkt. U kunt ook meerdere rijen selecteren en ze allemaal tegelijk verwijderen.

Figure Edit 3:

../../../_images/vertex_editor_panel.png

Paneel punten bewerker dat geselecteerde punten weergeeft

Objecten knippen, kopiëren en plakken

Geselecteerde objecten kunnen geknipt, gekopieerd en geplakt worden tussen lagen in hetzelfde project van QGIS, maar dan moet de doellagen ook eerst ingesteld zijn om te bewerken met toggleEditing Bewerken aan/uitzetten.

Tip

Polygoon naar lijn transformeren en vice versa met behulp van kopiëren/plakken

Kopieer een object lijn en plak dat in een polygoonlaag: QGIS plakt in de doellaag een polygoon waarvan de rand correspondeert met de dichtstbijzijnde geometrie van het lijnobject. Dit is een snelle manier om verschillende geometrieën te maken uit dezelfde gegevens.

Objecten kunnen ook als tekst geplakt worden in externe applicatie. De objecten worden daarbij gepresenteerd in de indeling CSV waarbij de waarden van de geometrie zijn opgeslagen in indeling van OGC Well-Known Text (WKT). WKT-objecten van buiten QGIS kunnen ook worden geplakt in een laag in QGIS.

Wanneer komt de functionaliteit kopiëren en plakken van pas? Wel, u kunt meerdere lagen tegelijk bewerken en objecten tussen lagen kopiëren en plakken. Waarom zouden we dit willen doen? Stel dat we moeten werken met een nieuwe laag, maar slechts een of twee meren nodig hebben, niet de 5.000 op onze laag big_lakes. We kunnen een nieuwe laag maken en daarmee kopiëren/plakken gebruiken om de benodigde meren erop te zetten.

Als voorbeeld zullen we enkele lagen van de laag met meren kopiëren naar een nieuwe laag:

  1. Laad de laag van waaruit u objecten wilt kopiëren (de bronlaag)

  2. Laad of maak de laag aan waar je naartoe wilt kopiëren (de doellaag)

  3. Zet het bewerken aan voor de doellaag

  4. Maak de bronlaag de actieve laag door deze te selecteren in de legenda

  5. Gebruik het gereedschap selectRectangle Objecten selecteren per gebied of met één enkele klik om de object(en) op de bronlaag te selecteren

  6. Klik op het gereedschap editCopy Objecten kopiëren

  7. Maak nu de doellaag de actieve laag door er op te klikken in de legenda

  8. Klik op het gereedschap editPaste Objecten plakken

  9. Zet bewerken voor de laag uit en sla de wijzigingen op

Wat gebeurt er wanneer de attribuutvelden inhoudelijk niet overeenkomen (veldnamen en typen zijn niet hetzelfde)? QGIS zal dan alleen die velden kopiëren die inhoudelijk overeenkomen en de rest negeren. Als het u niet uitmaakt of de attributen naar de doellaag worden gekopieerd, maakt het niet uit hoe de velden en gegevenstypen zijn ontworpen. Als u zeker wilt weten dat alles - het object en de attributen daarvan - gekopieerd worden, zorg er dan voor dat de schema’s overeen komen.

Notitie

Behoud van eigenschappen geplakte objecten

Als uw bron- en doellaag dezelfde projectie gebruiken, zullen de geplakte objecten een identieke geometrie hebben als op de bronlaag. Wanneer echter de doellaag een andere projectie gebruikt, dan kan QGIS niet garanderen dat de geometrie identiek is. Dit komt eenvoudigweg omdat er kleine afrondingsverschillen zullen optreden bij het converteren tussen projecties.

Tip

tekenreeks van attribuut naar een ander kopiëren

Indien u een nieuwe kolom hebt gemaakt in uw attributentabel van het type ‘string’ en u wilt daarin waarden plakken vanuit een andere kolom met attributen die een grotere lengte hebben, zal de grootte van de kolom worden uitgebreid tot dezelfde grootte. Dat is omdat het stuurprogramma voor het GDAL Shapefile, vanaf GDAL/OGR 1.10, de velden voor string en integer automatisch weet te vergroten om dynamisch aan te passen tot de lengte van de gegevens die moeten worden ingevoerd.

Geselecteerde objecten verwijderen

Wanneer we een geheel object (attributen en geometrie) willen verwijderen, kunnen we dat doen door eerst de geometrie te selecteren met behulp van het gewone gereedschap selectRectangle Objecten selecteren per gebied of met één enkele klik. Selecteren kan ook worden gedaan vanuit de attributentabel. Als u de selectie eenmaal hebt ingesteld, druk dan op de toets Delete of Backspace of gebruik het gereedschap deleteSelected Geselecteerde verwijderen om de objecten te verwijderen. Meerdere geselecteerde objecten kunnen in één keer verwijderd worden.

Het gereedschap editCut Objecten knippen op de werkbalk Digitaliseren kan ook worden gebruikt om objecten te verwijderen. Dit verwijdert effectief de objecten uit de laag, maar plaatst ze ook tijdelijk in het “ruimtelijke klembord”. We kunnen dus het object knippen om het te verwijderen. We kunnen dan het gereedschap editPaste Objecten plakken gebruiken om het terug te plaatsen, wat ons de mogelijkheid Ongedaan maken geeft voor 1 niveau.. Knippen, kopiëren en plakken werkt op de momenteel geselecteerde objecten, wat betekent dat we er meer dan één per keer kunnen bewerken.

Bewerkte lagen opslaan

Als een laag te bewerken is, zullen de wijzigingen in het geheugen van QGIS zijn opgeslagen. Deze zijn dan nog niet onmiddellijk doorgevoerd/opgeslagen in de gegevensbron of op schijf. Als u tijdens het bewerken de wijzigingen tussendoor wilt opslaan maar door wilt gaan met bewerken zonder de modus bewerken te verlaten, kunt u op de knop saveEdits Wijzigingen laag opslaan klikken. Als u modus Bewerken uitzet met toggleEditing Bewerken aan-/uitzetten (of QGIS wilt afsluiten), dan zult u worden gevraagd of uw aanpassingen wilt opslaan of negeren.

Als de wijzigingen niet opgeslagen kunnen worden (bijv. geen schijfruimte meer beschikbaar of de attributen hebben waarden die buiten het bereik liggen), dan blijven de wijzigingen nog bewaard in het geheugen van QGIS. U kunt dan nog wijzigingen aanbrengen en het opnieuw proberen.

Tip

Integriteit van gegevens

Het is altijd een goed idee om een back-up te maken van uw gegevens voordat u begint met het wijzigen ervan. Alhoewel de auteurs van QGIS veel aandacht hebben gegeven aan het behouden van de integriteit van de gegevens, worden er geen garanties gegeven.

Meerdere kagen in één keer opslaan

Deze functionaliteit geeft de mogelijkheid om meerdere lagen te digitaliseren. Kies fileSaveAs Opslaan voor geselecteerde laag/lagen om alle wijzigingen op te slaan die u in meerdere lagen hebt gemaakt. Het is ook mogelijk om met rollbackEdits Terugdraaien voor geselecteerde laag/lagen alle wijzigingen voor alle geselecteerde lagen in één keer terug te draaien. Als u wilt stoppen met het bewerken van de geselecteerde lagen is cancelEdits Afbreken voor geselecteerde laag/lagen een eenvoudige manier.

Dezelfde functionaliteit is beschikbaar voor het bewerken van alle lagen.

Geavanceerd digitaliseren

Pictogram

Doel

Pictogram

Doel

cad

Gereedschap Geavanceerd digitaliseren inschakelen

tracing

Traceren inschakelen

undo

Ongedaan maken

redo

Opnieuw

rotateFeature

Object(en) roteren

simplifyFeatures

Object vereenvoudigen

addRing

Ring toevoegen

addPart

Onderdeel toevoegen

fillRing

Ring vullen

deleteRing

Verwijder ring

deletePart

Onderdeel verwijderen

reshape

Object vervormen

offsetCurve

Verspring curve

splitFeatures

Kaartobjecten splitsen

splitParts

Delen splitsen

mergeFeatures

Geselecteerde objecten samenvoegen

mergeFeatAttributes

Attributen van geselecteerde objecten samenvoegen

rotatePointSymbols

Puntsymbolen roteren

Tabel Geavanceerd bewerken: De werkbalk Geavanceerd digitaliseren voor vectorlagen

Ongedaan maken en Opnieuw

De gereedschappen undo Ongedaan maken en redo Opnieuw geven u de mogelijkheid om bewerkingen op vectorlagen ongedaan te maken of nogmaals uit te voeren. Er is ook een vast te zetten widget dat alle bewerkingen in de geschiedenis van Ongedaan maken/Opnieuw weergeeft (zie Figure_edit_4). Dit widget is standaard niet zichtbaar maar u kunt dit zichtbaar maken door met de rechter muisknop op de werkbalk te klikken en vervolgens het keuzevak Ongedaan maken/Opnieuw te selecteren. Ongedaan maken/ Opnieuw is actief, ook als het widget niet zichtbaar is.

Figure Edit 4:

../../../_images/redo_undo.png

Ongedaan maken en Opnieuw gedigitaliseerde stappen

Als Ongedaan maken wordt gebruikt of op Ctrl+z (of Cmd+z) wordt gedrukt, zal de status van alle objecten en attributen worden teruggebracht naar die van vóór de laatste bewerking. Wijzigingen anders dan normale bewerkingen van vectoren (bijvoorbeeld gemaakt door een plug-in) zouden al dan niet kunnen ongedaan worden gemaakt, afhankelijk van hoe de wijzigingen werden uitgevoerd.

Met het panel Ongedaan maken/Opnieuw kun je door te klikken op een bewerking in de lijst direct naar de situatie terugspringen van voor de bewerking.

Object(en) roteren

Gebruik rotateFeaturePuntsymbolen roteren om één of meerdere objecten in het kaartvenster te roteren. Druk op de knop rotateFeaturePuntsymbolen roteren en klik dan op het object dat moet worden gedraaid. Ofwel klik op de kaart om het gedraaide object te plaatsen of voer een hoek in in het widget voor invoer door de gebruiker. Als u meerdere objecten wilt roteren, dienen zij eerst geselecteerd te zijn.

Als u het kaartgereedschap inschakelt met geselecteerd(e) object(en), verschijnen hun zwaartepunten en die zullen het ankerpunt voor de rotatie zijn. Indien u het ankerpunt wilt verplaatsen, houd de Ctrl-toets ingedrukt en klik op de kaart om het te plaatsen.

Indien u Shift ingedrukt houdt vóór het klikken op de kaart, wordt het roteren uitgevoerd in stappen van 45 graden, die later kunnen worden aangepast in de widget voor invoer door de gebruiker.

U moet op het pictogram rotateFeature Puntsymbolen roteren klikken om het roteren van objecten te beëindigen.

Object vereenvoudigen

Het gereedschap simplifyFeatures Object vereenvoudigen stelt u in staat het aantal punten van een object te reduceren, zolang als de geometrie geldig blijft. Met het gereedschap kunt u ook meerdere objecten in één keer vereenvoudigen of meerdelige objecten.

Klik eerst op een object of sleep een rechthoek over de objecten. Een dialoogvenster zal verschijnen waar u een tolerantie in kaarteenheden, laageenheden of pixels kunt definiëren en een gekleurde en vereenvoudigde kopie van de objecten, met de opgegeven tolerantie, verschijnt boven ze. QGIS berekent het aantal punten dat kan worden verwijderd terwijl de geometrie blijft behouden. Hoe hoger de tolerantie hoe meer punten kunnen worden verwijderd. Klik, als de verwachte geometrie aan uw wensen voldoet, eenvoudigweg op de knop [OK]. De door u gebruikte tolerantie zal worden opgeslagen bij het verlaten van het project of het beëindigen van de sessie van bewerken. Zo kunt u de volgende keer dus teruggaan naar dezelfde tolerantie bij het vereenvoudigen van een object.

U moet op het pictogram simplifyFeatures Object vereenvoudigen klikken om het roteren van objecten te beëindigen.

Notitie

anders dan de optie voor vereenvoudigen van een object in het menu Extra ‣ Opties ‣ Rendering, wat slechts de geometrie vereenvoudigt voor et renderen, past het gereedschap simplifyFeatures Object vereenvoudigen echt de geometrie van het object in de gegevensbron aan.

Onderdeel toevoegen

U kunt met addPart Onderdeel toevoegen aan een geselecteerd object een object multipunt, multilijn of multipolygoon genereren. Het nieuwe onderdeel moet buiten de bestaande worden gedigitaliseerd wat de eerder geselecteerde zou moeten zijn.

addPart Onderdeel toevoegen kan ook worden gebruikt om een geometrie toe te voegen aan een object zonder geometrie. Selecteer eerst het object in de attributentabel en digitaliseer de nieuwe geometrie met het gereedschap Onderdeel toevoegen.

Onderdeel verwijderen

Met deletePart Onderdeel verwijderen kunt u delen verwijderen van multi-geometrie objecten (bijv. om polygonen uit een object multi-polygoon te verwijderen). Dit gereedschap werkt voor alle multi-geometrie objecten voor punten, lijnen en polygonen. Verder kan het worden gebruikt om de geometrische component van een object te verwijderen. Klik eenvoudigweg in het doeldeel om een deel te verwijderen.

Ring toevoegen

U kunt ringpolygonen maken met behulp van het pictogram addRing Ring toevoegen. Dit betekent dat het, binnen een bestaand gebied, mogelijk is meerdere polygonen toe te voegen die fungeren als een ‘gat’, dus het gebied tussen de buitenste polygoon en de binnenste polygonen blijft over als ringpolygoon.

Ring vullen

U kunt de functie fillRing Ring vullen gebruiken om een ring aan een polygoon toe te voegen en tegelijkertijd een nieuw object aan de laag toe te voegen. U hoeft dus niet meer eerst het pictogram addRing Ring toevoegen te gebruiken en dan de functie capturePolygon Onderdeel toevoegen.

Verwijder ring

Met deleteRing Ring verwijderen kunt u ringen binnen een bestaande polygoon verwijderen, door te klikken in het gat. Dit gereedschap werkt alleen met objecten polygoon en multi-polygonen. Het zal ook niets veranderen wanneer het wordt gebruikt op de buitenste ring van de polygoon.

Object vervormen

U kunt lijn- en polygoon-objecten vervormen met behulp van reshape Objecten vervormen. Hiermee kunt u een deel van een lijn of polygoon vervangen door een nieuw lijnstuk van het eerste tot de laatste snijpunt met de oorspronkelijke lijn. Bij polygonen leidt dit soms tot ongewenste resultaten. Het is vooral handig om kleinere lijnstukken van een polygoon aan te passen, en niet om grote wijzigingen uit te voeren. Het is ook niet toegestaan om meerdere polygoonringen te doorsnijden aangezien dit een ongeldige polygoon oplevert.

U kunt, bijvoorbeeld, de grens van een polygoon bewerken met dit gereedschap. Klik eerst aan de binnenkant van de polygoon vlakbij het punt waar de nieuwe grens moet beginnen, steek daar de grens van de polygoon over en begin dan met het tekenen van de nieuwe grens buiten de huidige grens van de polygoon. Eindig het toevoegen van nieuwe grenspunten door het laatste punt aan de binnenkant van de huidige grens te plaatsen met de rechter muisknop. Op de snijpunten van de nieuwe met de oude grens zullen door deze functie automatisch nieuwe punten worden toegevoegd. De polygoon kan ook kleiner worden gemaakt door buiten de huidige grens te beginnen en binnen de huidige grens van de polygoon de nieuwe grens te tekenen en met klikken van de rechter muisknop het tekenen te stoppen buiten de huidige grens.

Notitie

Het gereedschap Objecten vervormen kan het startpunt van een polygoon of een gesloten lijn wijzigen. Dus het punt dat twee keer voorkomt kan een ander punt zijn. Dit zal geen probleem zijn voor de meeste applicaties, maar hier dient wel rekening mee worden gehouden.

Verspring curve

Het gereedschap offsetCurve Verspring curve maakt parallelle lijnen en polygonen voor lijnlagen. De functie werkt voor de laag die bewerkt wordt (de geometrieën worden gewijzigd) of op achtergrondlagen (in welk geval het kopieën maakt van de lijnen / ringen en ze toevoegt aan de laag die bewerkt wordt). Het is dus ideaal geschikt voor het maken van op afstand-lijnlagen. Het dialoogvenster Gebruikersinvoer verschijnt en geeft de afstand voor de verplaatsing weer.

U moet eerst naar de modus Bewerken en het gereedschap offsetCurve Verspring curve activeren om een lijnlaag te kunnen verschuiven. Klik daarna op een object om het te kunnen verplaatsen. Verplaats de muis en klik waar u het neer wilt zetten of voer de gewenste afstand in in het widget voor invoer door de gebruiker. Uw wijzigingen kunnen dan worden opgeslagen met het gereedschap saveEditsWijzigingen laag opslaan.

QGIS dialoogvenster Opties (tab Digitaliseren dan gedeelte Lijnverspring-gereedschap ) stelt u in staat enkele parameters, zoals Verbindingsstijl, Segmenten per kwadrant, Maximale puntlengte bij hoekpunten, te configureren.

Kaartobjecten splitsen

U kunt objecten opdelen met behulp van splitFeatures Objecten splitsen. U kunt een lijn tekenen over het object dat u wilt splitsen.

Delen splitsen

In QGIS is het nu mogelijk om de delen van een meerdelige object te splitsen zodat het aantal delen wordt vergroot. Teken gewoon een lijn over het deel dat u wilt splitsen met behulp van het pictogram splitParts Objecten splitsen.

Geselecteerde objecten samenvoegen

Het gereedschap mergeFeatures Geselecteerde objecten samenvoegen stelt u in staat aan elkaar grenzende objecten samenvoegen die gemeenschappelijke grenzen hebben. Een nieuw dialoogvenster zal u in staat stellen te kiezen welke waarde te kiezen voor alle geselecteerde features of een functie (Minimum, Maximum, Mediaan, Som, Attribuut overslaan) te selecteren om voor elke kolom te gebruiken. Als objecten geen gemeenschappelijke grenzen hebben zal een multipolygoon worden gemaakt.

Samenvoegen attribuutwaarden van geselecteerde objecten

Met de functie |mergeFeatureAttributes| Attributen van geselecteerde objecten samenvoegen is het mogelijk dezelfde attributen toe te passen op objecten zonder de grenzen samen te voegen. Selecteer eerst verscheidene objecten. Selecteer dan de knop |mergeFeatureAttributes| Attributen van geselecteerde objecten samenvoegen. QGIS vraagt u nu welke attribuutwaarden voor alle geselecteerde objecten zullen worden toegekend. Het resultaat is dat alle objecten dezelfde attribuutwaarden zullen krijgen.

Puntsymbolen roteren

Het gereedschap rotatePointSymbols Puntsymbolen roteren geeft de mogelijkheid om puntsymbolen in het kaartvenster te roteren. Daarvoor moet voor het object een attribuutveld aanwezig zijn in de attributentabel waarmee je de rotatie kunt vastleggen en daarnaast moet aangegeven zijn dat dit veld gebruikt moet worden voor rotatie voor deze puntenlaag, via de Geavanceerd op het tabblad Stijl van Laag-eigenschappen. U moet ook ‘SVG marker’ openen en kiezen voor Data gedefinieerde eigenschappen .... Activeer vervolgens het keuzevak checkbox Hoek en kies ‘rotation’ als veld. Zonder deze instellingen zal dit gereedschap niet geactiveerd zijn.

Figure Edit 5:

../../../_images/rotatepointsymbol.png

Puntsymbolen roteren

Om de rotatie van een puntobject te wijzigen, selecteer een puntobject in de kaart en roteer deze door de linker muisknop ingedrukt te houden. Een rode pijl met de rotatiewaarde zal getoond worden (zie Figure_edit_5). Wanneer u de linker muisknop loslaat, zal de rotatiewaarde worden bijgewerkt in de attributentabel.

Notitie

Wanneer de Ctrl-toets ingedrukt wordt gehouden, zal het roteren worden uitgevoerd in stappen van 15 graden.

Automatisch traceren

Gewoonlijk dient u, bij het gebruiken van gereedschappen voor het vastzetten van objecten (object toevoegen, onderdeel toevoegen, ring toevoegen, vervormen en splitsen), op elk punt van het object te klikken.

Met behulp van de modus Automatisch traceren kunt u net proces van het digitaliseren versnellen. Schakel het gereedschap tracing Traceren inschakelen in door op het pictogram te drukken of te drukken op de toets t en snappen aan een punt of segment van ene object waarlangs u wilt traceren. Verplaats de muis over ene ander punt of segment waaraan u zou willen snappen en in plaats van de gewone rechte lijn geeft het elastiek voor digitaliseren een pad weer van het laatste punt dat u snapte tot een de huidige positie. QGIS gebruikt in feite de topologie van de onderliggende objecten om het kortste pad te bouwen tussen de twee punten. Klik en QGIS plaatst de tussenliggende punten, die het pad volgen. U hoeft nu niet langer handmatig alle punten te plaatsen bij het digitaliseren.

Traceren vereist dat snappen is geactiveerd in lagen waarop getraceerd kan worden om het pad te bouwen. U zou ook kunnen snappen aan een bestaand punt of segment tijdens het digitaliseren en er voor zorgen dat de twee knopen topologisch aan elkaar te verbinden zijn door bestaande objecten te volgen, anders is QGIS niet in staat om ze te verbinden en traceert dus een rechte lijn.

Notitie

Kaartschaal of instellingen voor snappen aanpassen voor optimaal traceren

Als er teveel objecten in de kaartweergave staan wordt traceren uitgeschakeld om het voorbereiden van potentieel lange structuren voor traceren en enorme belasting van het geheugen te vermijden. Na inzoomen of uitschakelen van enkele lagen wordt traceren weer ingeschakeld.

Tip

Automatisch traceren snel in- of uitschakelen met de toets t

Door op de toets t te drukken kan traceren op elk moment worden in-/uitgeschakeld, zelfs bij het digitaliseren van een object, dus is het mogelijk enkele delen van het object te digitaliseren met traceren ingeschakeld en andere delen met traceren uitgeschakeld. Gereedschappen gedragen zich als gewoonlijk als traceren is uitgeschakeld.

Het paneel Geavanceerd digitaliseren

Bij het vastleggen van nieuwe geometrieën of delen van geometrieën heeft u ook de mogelijkheid om het paneel Geavanceerd digitaliseren te gebruiken. U kunt lijnen exact parallel of onder een specifieke hoek digitaliseren of lijnen onder specifieke hoeken vastzetten. Verder kunt u direct coördinaten invoeren zodat u een precieze definitie voor uw nieuwe geometrie kunt maken.

Figure Advanced Edit 1:

../../../_images/advanced_digitizing.png

Het paneel Geavanceerd digitaliseren

Notitie

De gereedschappen zijn niet ingeschakeld als de kaartweergave in geografische coördinaten is.

Nieuwe vectorlagen maken

QGIS ondersteunt het aanmaken van nieuwe Shapefile, nieuwe SpatiaLite vectorlagen, nieuwe GPX lagen en nieuwe tijdelijke tekenlagen. Het aanmaken van nieuwe GRASS vectorlagen wordt ondersteund binnen de plug-in GRASS. Zie Maken van een nieuwe GRASS vectorlaag voor meer informatie over het aanmaken van GRASS vectorlagen.

Nieuwe Shapefile-laag maken

Kies, om een nieuwe vectorlaag te maken om te bewerken, Kaartlagen ‣ Laag maken ‣ newVectorLayer Nieuwe Shapefile-laag.... Het dialoogvenster Nieuwe vectorlaag zal worden getoond zoals in Figure_edit_6. Kies het type vectorlaag (punt, lijn of polygoon) en het CRS (Coördinaten Referentie Systeem).

Onthoud dat QGIS nog niet het aanmaken van 2.5D objecten ondersteunt (bijvoorbeeld objecten met X,Y en Z coördinaten).

Figure Edit 6:

../../../_images/editNewVector.png

Dialoogvenster Nieuwe Shapefile-laag maken

Voeg de gewenste attributen toe door te klikken op de knop [Toevoegen aan attributenlijst] en een naam en type voor het attribuut te specificeren om het maken van een nieuwe laag voor een shapefile te voltooien, Een eerste kolom ‘id’ wordt standaard toegevoegd maar kan worden verwijderd indien niet gewenst. Alleen attibuten Type: real selectString, Type: integer selectString, Type: string selectString en Type:date selectString worden ondersteund. Aanvullend en overeenkomstig het type attribuut, kunt u ook de breedte en precisie van de nieuwe kolom voor het attribuut definiëren. Als de attributen naar wens zijn, klik dan op [OK] en geef een naam op voor het shapefile. QGIS zal automatisch de extensie .shp toevoegen aan de naam die u specificeert. Als de laag eenmaal is gemaakt zal die worden toegevoegd aan de kaart en kunt u die op dezelfde manier bewerken als is beschreven in het gedeelte Het digitaliseren van een bestaande kaartlaag hierboven.

Nieuwe Spatialite-laag maken

Kies Kaartlagen ‣ Laag maken ‣ newSpatiaLiteLayer Nieuwe Spatialite-laag... voor het aanmaken van een nieuwe Spatialite-laag. Het dialoogvenster Nieuwe SpatiaLite-laag wordt geopend zoals getoond in Figure_edit_7.

Figure Edit 7:

../../../_images/editNewSpatialite.png

Dialoogvenster Nieuwe Spatialite-laag maken

De eerste stap is om een bestaande SpatiaLite database te selecteren of om een nieuwe SpatiaLite database aan te maken. Dit kan gedaan worden met de functie Bladeren browseButton aan de rechterkant van het veld database. Geef een naam voor die nieuwe laag en het Coördinaten Referentie Systeem met [Geef het CRS]. Indien gewenst kun men ook het keuzevak checkbox Maak een automatisch ophogen primair sleutelveld aan activeren.

Om de attribuutvelden voor de nieuwe SpatiaLite laag toe te voegen, geef de naam en het type attribuut en klik op de knop [Toevoegen aan attributenlijst]. Wanneer tevreden druk dan op [OK]. QGIS zal automatisch de nieuwe laag toevoegen aan de kaart en je kunt deze bewerken op dezelfde manier als beschreven in Het digitaliseren van een bestaande kaartlaag.

De DB Manager kan gebruikt worden voor overig beheer van SpatiaLite lagen, zie Plug-in DB Manager.

Een nieuwe GPX-laag maken

U moet, om een nieuw GPX-bestand aan te kunnen maken, eerst de plug-in GPS laden. menuselection:Plug-ins –> showPluginManager Plug-ins beheren en installeren ... opent het dialoogvenster Plug-ins beheren en installeren. Activeer het keuzevak checkbox GPS-gereedschap.

Kies, als deze plug-in is geladen, Nieuw ‣ createGPX Nieuwe GPX-laag maken... in het menu Kaartlagen ‣ Laag maken. In het dialoogvenster Nieuw GPX bestand opslaan als kunt u kiezen waar de nieuwe GPX-laag wordt opgeslagen.

Een nieuwe tijdelijke tekenlaag maken

Lege, te bewerken geheugenlagen kunnen worden gedefinieerd met behulp van Kaartlagen ‣ Laag maken ‣ Nieuwe tijdelijke tekenlaag. Hier kunt u zelfs radioButtonOff Multipunt, radioButtonOffMultilijn en radioButtonOffMultipolygoon gane maken onder radioButtonOnPunt, radioButtonOffLijn en radioButtonOffPolygoon lagen. Tijdelijke tekenlagen worden niet opgeslagen en zullen worden verwijderd wanneer QGIS wordt gesloten. Zie ook paste_into_layer_ .