17. Werken met gegevens met mazen

17.1. Wat zijn mazen?

Een laag met mazen is een ongestructureerd raster, gewoonlijk met tijd- en andere componenten. De ruimtelijke component bevat een collectie punten, randen en zijden in ruimte 2D of 3D:

  • punten - XY(Z)-punten (in het coördinaten referentiesysteem van de laag)

  • randen - verbonden paren punten

  • zijden - een zijde is een set hoeken die een gesloten vorm vormen - gewoonlijk een driehoek of een vierhoek (quad), zelden polygonen met meerdere punten

Uitgaande van bovenstaande kunnen lagen met mazen dus verschillende typen structuur hebben:

  • 1D-mazen: bestaan uit punten en randen. Een rand verbindt twee punten en kan gegevens (scalairen of vectoren) aan zich hebben toegewezen. Het netwerk van 1D-mazen kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor het modelleren van een stedelijk drainagesysteem.

  • 2D-mazen: bestaan uit zijden met driehoeken, regelmatige of ongestructureerde vierkanten.

  • 3D-gelaagde mazen: bestaan uit meerdere gestapelde 2d ongestructureerde mazen die elk zijn uitgetrokken in de verticale richting (niveaus) door middel van een verticale coördinaat. De punten en zijden hebben dezelfde topologie op elk verticaal niveau. De definitie van de mazen (uittrekking van verticaal niveau) zou in het algemeen kunnen wijzigen in tijd. De gegevens worden gewoonlijk gedefinieerd in volumecentra of door enige parametrische functie.

../../../_images/mesh_grid_types.png

Fig. 17.1 Verschillende typen mazen

Mazen verschaffen informatie over de ruimtelijke structuur. In aanvulling daarop kunnen de mazen gegevenssets (groepen) hebben die een waarde toewijzen aan elk punt. Bijvoorbeeld driehoekige mazen hebben met genummerde punten, zoals weergegeven in de afbeelding hieronder:

../../../_images/triangual_grid_with_numered_vertices.png

Fig. 17.2 Driehoekig raster met genummerde punten

Elk punt kan verschillende gegevenssets opslaan (gewoonlijk meerdere kwantiteiten), en deze gegevenssets kunnen ook een tijdelijk dimensie hebben. Één enkel bestand kan dus meerdere gegevenssets bevatten.

De volgende tabel geeft een idee over welke informatie kan worden opgeslagen in gegevenssets met mazen. Tabelkolommen geven indices weer van punten van mazen, elke rij staat voor één gegevensset. Gegevenssets kunnen verschillende gegevenstypen hebben. In dit geval slaat het de windsnelheid op 10 m op op bepaalde tijden (t1, t2, t3).

Op soortgelijke wijze kan de gegevensset van mazen ook vectorwaarden opslaan voor elk punt. Bijvoorbeeld een vector voor de windrichting op de opgegeven tijdstippen:

10 meter wind

1

2

3

10 meter snelheid op tijd=t1

17251

24918

32858

10 meter snelheid op tijd=t2

19168

23001

36418

10 meter snelheid op tijd=t3

21085

30668

17251

10 m windrichting tijd=t1

[20,2]

[20,3]

[20,4.5]

10 m windrichting tijd=t2

[21,3]

[21,4]

[21,5.5]

10 m windrichting tijd=t3

[22,4]

[22,5]

[22,6.5]

We kunnen de gegevens visualiseren door kleuren aan waarden toe te wijzen (soortgelijk als hoe dat wordt gedaan met Enkelbands pseudokleur renderen van rasters) en gegevens interpoleren tussen punten overeenkomstig de topologie van de mazen. Het komt vaak voor dat sommige kwantiteiten 2D-vectors zijn, in plaats van dat zij eenvoudige scalaire waarden zijn (bijv. windrichting). Voor dergelijke kwantiteiten is het wenselijk om pijlen weer te geven die de richtingen aangeven.

../../../_images/mesh_visualisation.png

Fig. 17.3 Mogelijke visualisatie van gegevens met mazen

17.2. Ondersteunde indelingen

QGIS verkrijgt toegang tot de gegevens van mazen met de MDAL drivers, en ondersteunt vanuit zichzelf een variëteit aan indelingen. Of QGIS een laag met mazen kan bewerken is afhankelijk van de indeling en het structuurtype van de mazen.

Gebruik de tab addMeshLayer Mazen in het dialoogvenster Databronnen beheren om een gegevensset met mazen in QGIS te laden. Lees Laden van een laag met mazen voor meer details.

17.3. Eigenschappen gegevensset met mazen

Het dialoogvenster Laageigenschappen voor een laag met mazen verschaft algemene instellingen om de groepen van gegevenssets van de laag te beheren en het renderen ervan (actieve groepen van de gegevensset, symbologie, 2D en 3D renderen). Het verschaft ook informatie over de laag.

Toegang tot het dialoogvenster Laag-eigenschappen:

  • In het paneel Lagen, dubbelklik op de laag of klik met rechts en selecteer Eigenschappen… uit het contextmenu;

  • Ga naar menu Kaartlagen ► Laageigenschappen… als de laag is geselecteerd.

Het dialoogvenster voor mazen Laageigenschappen verschaft de volgende gedeelten:

metadata Informatie

system Bron

symbology Symbologie[1]

3d 3D-weergave[1]

temporal Tijdbeheer

rendering Renderen

editMetadata Metadata

[1] Ook beschikbaar in het paneel Laag opmaken

Notitie

De meeste eigenschappen van een laag met mazen kan worden opgeslagen naar of geladen uit een bestand .qml met het menu Stijl aan de onderzijde van het dialoogvenster. Meer details in Aangepaste stijlen beheren.

17.3.1. Eigenschappen Informatie

../../../_images/mesh_info_properties.png

Fig. 17.4 Laag met mazen eigenschappen Informatie

De tab metadata Informatie is alleen-lezen en is een interessante plek om snel wat overzichtsinformatie en metadata over de huidige laag op te pakken. Verschafte informatie is:

  • algemeen, zoals naam in het project, pad van de bron, lijst met aanvullende bestanden, laatste tijd en grootte van opslaan, de gebruikte provider

  • gebaseerd op de provider van de laag: bereik, punt, zijde, aantal randen en/of groepen gegevensset

  • het Coördinaten ReferentieSysteem: naam, eenheden, methode, nauwkeurigheid, verwijzing (d.i. of het statisch of dynamisch is)

  • opgehaald uit de gevulde metadata: toegang, bereiken, links, contacten, geschiedenis…

17.3.2. Eigenschappen Bron

De tab system Bron geeft basisinformatie weer over de geselecteerde laag met mazen, inclusief:

../../../_images/mesh_source.png

Fig. 17.5 Laag met mazen eigenschappen Bron

  • de laagnaam om weer te geven in het paneel Lagen

  • instellen van het Coördinaten ReferentieSysteem: Geeft het toegewezen Coördinaten ReferentieSysteem (CRS) van de laag weer. U kunt het CRS van de laag wijzigen door een recent gebruikte te kiezen uit de keuzelijst of te klikken op de knop setProjection CRS selecteren (bekijk Keuze Coördinaten ReferentieSysteem). Gebruik dit proces alleen als het op de laag toegepaste CRS verkeerd is of als er geen werd gespecificeerd.

  • Het frame Beschikbare gegevenssets vermeldt alle groepen gegevenssets (en subgroepen) in de laag met mazen, met hun type en omschrijving in een boomweergave. Zowel gewone gegevenssets (d.i. hun gegevens zijn opgeslagen in het bestand) en virtuele gegevenssets (die direct worden berekend) worden vermeld.

    • Gebruik de knop add Extra gegevensset aan mazen toevoegen om meer groepen aan de huidige laag met mazen toe te voegen.

    • collapseTree Alles inklappen en expandTree Alles uitklappen van de boom van de gegevensset, in het geval van ingebedde groepen

    • Als u slechts geïnteresseerd bent in enkele gegevenssets kunt u de andere deselecteren en ze onbeschikbaar maken in het project

    • Dubbelklik op een naam en u kunt de gegevensset hernoemen.

    • refresh Herstellen naar standaarden: selecteert alle groepen en hernoemt ze terug naar hun originele naam in de provider.

    • Klik met rechts op een virtuele groep gegevensset en u kunt:

      • Groep gegevensset verwijderen uit het project

      • Groep gegevensset opslaan als… een bestand op schijf, naar elke ondersteunde indeling. Het nieuwe bestand blijft toegewezen aan d huidige laag met mazen in het project.

  • Selecteren van de groep unchecked Behandelen als statische gegevensset maakt het mogelijk de eigenschappen voor navigatie van tijdbeheer voor de kaart te negeren bij het renderen van de laag met mazen. Voor elke actieve groep gegevensset (zoals geselecteerd in symbology Symbologie ► tab general Gegevenssets), kunt u:

    • instellen op Geen: de groep gegevensset wordt helemaal niet weergegeven

    • Gegevensset weergeven: bijv, voor de gegevensset “bed elevation” die geen tijdsindeling heeft

    • een bepaalde datum/tijd uitnemen: de gegevensset die overeenkomt met de opgegeven tijd wordt gerenderd en blijft vast tijdens navigeren op de kaart.

17.3.3. Eigenschappen Symbologie

Klik op de knop symbology Symbologie om het dialoogvenster te activeren. Eigenschappen voor Symbologie zijn verdeeld over verschillende tabs:

17.3.3.1. Gegevenssets

De tab general Gegevenssets is de belangrijkste plaats om te beheren en in te stellen welke gegevenssets zullen worden gebruikt voor de laag. Het geeft de volgende items weer:

  • Groepen beschikbaar in de gegevensset met mazen, en of zij verschaffen:

    • meshcontoursoff scalaire gegevensset

    • of meshvectorsoff vector gegevensset: standaard heeft elke vector gegevensset een scalaire gegevensset die zijn automatisch gemaakte omvang weergeeft.

    Klik op het pictogram naast de naam van de gegevensset om de groep en het type gegevens, dat moet worden weergegeven, te selecteren.

  • Metadata voor groep(en) van geselecteerde gegevensset, met details over:

    • het type mazen: randen of zijden

    • het type gegevens: punten, randen, zijden of volume

    • of het van het type vector is of niet

    • de originele naam in de laag met mazen

    • de eenheid, indien van toepassing

  • Meng-modus beschikbaar voor de geselecteerde gegevenssets.

../../../_images/mesh_symbology_datasets.png

Fig. 17.6 Laag met mazen Gegevenssets

U kunt symbologie toepassen op de geselecteerde vector- en/of scalaire groep met de volgende tabs.

17.3.3.2. Symbologie Contouren

Notitie

De tab meshcontours Contouren kan alleen worden geactiveerd als een scalaire gegevensset is geselecteerd op de tab general Gegevenssets.

Op de tab meshcontours Contouren kunt u bekijken en wijzigen de huidige opties voor visualisatie van contouren voor de geselecteerde groep, zoals hieronder weergegeven in Fig. 17.7:

../../../_images/mesh_symbology_contours.png

Fig. 17.7 Contouren opmaken in een laag met mazen

  • Voor 1D-mazen, stel de Lijndikte van de randen in. Dit kan een vaste grootte zijn voor de gehele gegevensset, of variëren langs de geometrie (meer details bij de renderer geïnterpoleerde lijn)

  • Gebruik de schuifbalk of draaiknop om de Opaciteit van de huidige groep in te stellen, indien van het type 2D-mazen.

  • Voer het bereik aan waarden in die u wilt laten weergeven voor de huidige groep: gebruik refresh Laden om de minimum en maximum waarden van de huidige groep op te halen of voer aangepaste waarden in als u enkele wilt uitsluiten.

  • Voor 2D/3D-mazen, selecteer de Hersampling methode om de waarden van de omliggende punten te interpoleren naar de zijden (of vanuit de omliggende zijden naar de punten) met de methode Gemiddelde buur. Afhankelijk van of de gegevensset is gedefinieerd op de punten (respectievelijk op de zijden), stelt QGIS deze instelling standaard in op de methode Geen (respectievelijk Gemiddelde buur) om de waarden op punten te gebruiken en het standaard renderen glad te houden.

  • Classificeer de gegevensset met de classificatie voor het Kleurverloop.

17.3.3.3. Symbologie Vectors

Notitie

De tab meshvectors Vectoren kan alleen worden geactiveerd als een vector gegevensset is geselecteerd op de tab general Gegevenssets.

Op de tab meshvectors Vectoren kunt u bekijken en wijzigen de huidige opties voor visualisatie van vectoren voor de geselecteerde groep, zoals hieronder weergegeven in Fig. 17.8:

../../../_images/mesh_symbology_vectors.png

Fig. 17.8 Vectoren opmaken in een laag met mazen met pijlen

Een vector gegevensset met mazen kan worden opgemaakt met verscheidene typen Symbologie:

  • Pijlen: vectoren worden weergegeven met pijlen op dezelfde plaats als waar zij zijn gedefinieerd in de ruwe gegevensset (d.i. op de knopen of het midden van elementen) of op een gebruiker-gedefinieerd raster (waardoor zij evenredig worden verdeeld). De lengte van de pijl is proportioneel ten opzichte van de omvang van de pijl, zoals gedefinieerd in de ruwe gegevens, maar kan met verscheidene methoden op schaal worden gebracht.

  • Stroomlijnen: vectoren worden weergegeven met stroomlijnen die beginnen vanuit het beginpunt. De beginpunten mogen beginnen vanuit de punten van de mazen, vanuit een gebruikers-raster of willekeurig.

  • Sporen: een nettere animatie van de stroomlijnen, het soort effect dat u krijgt wanneer u willekeurig zand in het water strooit en kijkt waar de zandkorrels naartoe vloeien.

Beschikbare eigenschappen zijn afhankelijk van de geselecteerde symbologie, zoals weergegeven in de volgende tabel.

Label

Beschrijving en eigenschappen

Pijl

Stroomlijnen

Sporen

Lijndikte

Breedte van de weergave van de vector

checkbox

checkbox

checkbox

Kleurmethode

  • een Enkele kleur toegewezen aan alle vectoren

  • of een variabele kleur, gebaseerd op de omvang van vectoren, met een Kleurverloop schaduw

checkbox

checkbox

checkbox

Op omvang filteren

Alleen vectoren waarvan de lengte voor de geselecteerde gegevensset vallen binnen het bereik Min en Max worden weergegeven

checkbox

checkbox

Weergeven op raster gebruiker

Plaatst de vector op een raster met een aangepaste Afstand X en Afstand Y en interpoleert hun lengte, gebaseerd op buren

checkbox

checkbox

Opties voor uiteinde

Lengte en Breedte van de pijlkop, als een percentage van de lengte van de schacht

checkbox

Lengte pijl

  • Gedefinieerd door Min en Max: U specificeert de minimum en maximum lengte voor de pijlen, QGIS zal hun grootte interpoleren, gebaseerd op de onderliggende omvang van de vectoren

  • Op grootte schalen: pijllengte is proportioneel aan de grootte van hun vector

  • Vast: alle vectoren worden weergegeven met dezelfde lengte

checkbox

Methode voor begin stroomlijnen

  • Op mazen/raster: vertrouwt op het raster van de gebruiker om de vectoren weer te geven

  • Willekeurig: plaatsing van vectoren wordt willekeurig gedaan met inachtneming van een bepaalde dichtheid

checkbox

Aantal deeltjes

De hoeveelheid “zand” die u in de visualisatie wilt gooien

checkbox

Max. staartlengte

De tijd waarin de deeltjes zich verspreiden

checkbox

17.3.3.4. Renderen

Op de tab meshframe Renderen biedt QGIS mogelijkheden voor het weergeven en aanpassen van de structuur van mazen. Lijndikte en Lijnkleur kunnen ook worden ingesteld om weer te geven:

  • de randen voor 1D-mazen

  • Voor 2D-mazen:

    • Normale mazen renderen: geeft originele zijden en randen van de laag weer

    • Driehoekige mazen renderen: voegt meer randen toe en geeft de zijden als driehoeken weer

../../../_images/mesh_symbology_grid.png

Fig. 17.9 2D-mazen renderen

17.3.3.5. Methode voor middelen van gestapelde mazen

3D-gelaagde mazen bestaan uit meerdere gestapelde 2D ongestructureerde mazen, elk uitgetrokken in de verticale richting (niveaus) door middel van een verticale coördinaat. De punten en zijden hebben dezelfde topologie op elk verticaal niveau. Waarden worden gewoonlijk opgeslagen in de volumes die regelmatig zijn gestapeld over de basis 2D-mazen. Om ze te visualiseren in een 2D-kaartvenster moet u waarden op de volumes (3D) converteren naar waarden op zijden (2D) die in de laag met mazen kunnen worden weergegeven. De meshaveraging Methode voor middelen van gestapelde mazen verschaft verschillende methoden voor middelen/interpoleren om dit af t handelen.

U kunt de methode selecteren om de 2D-gegevenssets af te leiden en corresponderende parameters (index niveau, waarden diepte of hoogte). Voor elke methode wordt een voorbeeld voor het toepassen weergegeven in het dialoogvenster, maar u kunt meer over de methoden lezen op https://fvwiki.tuflow.com/index.php?title=Depth_Averaging_Results.

17.3.4. Eigenschappen 3D-weergave

Lagen met mazen kunnen worden gebruikt als terrein in een 3D-kaartweergave, gebaseerd op de waarden Z van hun punten. Op de tab voor eigenschappen van 3d 3D-weergave is het ook mogelijk om de gegevensset van de laag met mazen in dezelfde 3D-weergave te renderen Daarvoor kan de verticale component van de punten gelijk worden gesteld met de waarden van de gegevensset (bijvoorbeeld niveau van wateroppervlak) en de textuur van de mazen kan worden ingesteld om andere waarden van de gegevensset te renderen met kleurschaduw (bijvoorbeeld snelheid).

../../../_images/mesh_3d.png

Fig. 17.10 Eigenschappen 3D gegevensset met mazen

Selecteer checkbox 3D-renderer inschakelen en u kunt de volgende eigenschappen bewerken:

  • Onder Instellingen voor driehoeken

    • Afgevlakte driehoeken: Hoeken tussen opeenvolgende driehoeken worden afgevlakt voor beter renderen in 3D

    • Draadmodel weergeven waarvan u de Lijndikte en Keur kunt instellen

    • Waarde van detail: Beheert hoe vereenvoudigd de te renderen laag met mazen zou moeten zijn. Aan de uiterste rechterzijde, is het de basis mazen, en hoe meer u naar links gaat, hoe meer de laag wordt vereenvoudigd en wordt gerenderd met minder details. Deze optie is alleen beschikbaar als de optie Mazen vereenvoudigen op de tab Renderen is geactiveerd.

  • Verticale instellingen om het gedrag van de verticale component te beheren

    van punten van gerenderde driehoeken

    • Groep gegevensset voor verticale waarde: de groep van de gegevensset die zal worden gebruikt voor de verticale component van de mazen

    • uncheckedWaarde gegevensset relatief ten opzichte van de waarde Z van punten: of de waarden van de gegevensset moeten worden beschouwd als absolute coördinaat Z of relatief ten opzichte van eigen waarde Z van de punten

    • Verticale schaal: de schaalfactor om toe te passen op de waarden Z van de gegevensset

  • Instellingen voor renderen van kleuren met een Weergave-stijl die kan worden gebaseerd op het kleurverloop schaduw ingesteld in Symbologie Contouren (2D contour kleurverloop schaduw) of als een Enkele kleur met een geassocieerde Kleur mazen

  • Pijlen weergeven: geeft pijlen weer op gegevensset laag met mazen 3D-entiteit, gebaseerd op dezelfde vector groep gegevensset, gebruikt in de vector 2D-renderen. Zij worden weergegeven met de 2D kleurinstelling. Het is ook mogelijk de Tussenruimte pijlen te definiëren en, of het van een Vaste grootte of op schaal is gebracht naar zijn omvang. Deze instelling voor tussenruimte definieert ook de maximum grootte van pijlen omdat pijlen niet kunnen overlappen.

17.3.5. Eigenschappen Renderen

Omdat lagen met mazen miljoenen zijden kunnen hebben, kan het renderen daarvan soms heel traag zijn, speciaal wanneer alle zijden worden weergegeven in de weergave hoewel zij te klein zijn om te worden weergegeven. U kunt, om het renderen te versnellen, de laag met mazen vereenvoudigen, wat er in resulteert dat één of meer mazen verschillende niveaus van detail weergeven en selecteren op welk niveau u QGIS zou willen de laag met mazen te renderen. Onthoud dat de vereenvoudigde laag met mazen alleen driehoekige mazen bevat.

Op de tab rendering Renderen, selecteer checkbox Mazen vereenvoudigen en stel in:

  • een Verkleiningsfactor: Beheert het maken van opeenvolgende niveaus van vereenvoudigde mazen. Als bijvoorbeeld de basislaag met mazen 5 miljoen zijden heeft, en de verkleiningsfactor is 10, zal de eerste vereenvoudigde laag met mazen ongeveer 500.000 zijden hebben, de tweede 50.000 zijden, de derde 5000,… Als een hogere verkleiningsfactor snel leidt tot eenvoudiger mazen (d.i. met driehoeken van een grotere omvang), produceert het ook minder niveaus van detail.

  • Minimale grootte driehoek: de gemiddelde grootte (in pixels) van de driehoeken die toegestaan is om te worden weergegeven. Als de gemiddelde grootte van de mazen minder is dan deze waarde, wordt het renderen van mazen met een lager niveau van details geactiveerd.

17.3.6. Eigenschappen Tijdbeheer

De tab temporal Tijdbeheer verschaft opties om het renderen van de laag in de tijd te beheren. Het maakt het mogelijk dynamisch tijdwaarden van de ingeschakelde groepen van gegevenssets weer te geven. Dergelijk dynamisch renderen vereist dat de Navigatie voor Tijdbeheer is ingeschakeld in het kaartvenster.

../../../_images/mesh_temporal.png

Fig. 17.11 Laag met mazen eigenschappen Tijdbeheer

Instellingen Tijdbeheer voor laag

  • Verwijzingstijd van de groep van de gegevensset, als een absolute datum/tijd. Standaard parst QGIS de bronlaag en geeft de eerste geldige verwijzingstijd in de groep van de gegevensset in de laag terug. Indien niet beschikbaar zal de waarde worden ingesteld door de tijdsperiode van het project of terugvallen op de huidige datum. De Starttijd en Eindtijd waarmee rekening moet worden gehouden worden dan berekend op basis van de stap van het interne tijdstempel van de gegevensset.

    Het is mogelijk een aangepaste Verwijzingstijd in te stellen (en dan de tijdsperiode), en de wijzigingen terugdraaien met de knop refresh Opnieuw laden vanaf provider.

  • Gegevensset overeenkomende methode: bepaalt de op en bepaalde tijd weer te geven gegevensset. Opties zijn Zoek dichtstbijzijnde gegevensset vóór gevraagde tijd of Zoek dichtstbijzijnde gegevensset vanaf gevraagde tijd (na of voor).

Tijdinstelingen provider

  • Tijdseenheid uitgenomen vanuit de ruwe gegevens, of gebruiker-gedefinieerd. Dit kan worden gebruikt om de snelheid van de laag met mazen uit te lijnen met andere lagen in het project gedurende navigeren door de tijd van de kaart. Ondersteunde eenheden zijn Seconden, Minuten, Uren en Dagen.

17.3.7. Eigenschappen Metadata

De tab editMetadata Metadata verschaft u opties om een rapport met metadata voor uw laag te maken en te bewerken. Bekijk Metadata voor meer informatie.

17.4. Mazen berekenen

Het gereedschap Mazen berekenen uit het bovenste menu Mazen stelt u in staat rekenkundige en logische berekeningen uit te voeren op bestaande groepen gegevenssets om een nieuwe groep gegevensset te maken (bekijk Fig. 17.12).

../../../_images/mesh_calculator.png

Fig. 17.12 Mazen berekenen

De lijst Gegevenssets bevat alle groepen gegevenssets in de actieve laag met mazen. Dubbelklik, om een groep gegevensset in een expressie te gebruiken, op de naam in de lijst en het zal worden toegevoegd aan het veld Uitdrukking voor mazen berekenen. U kunt dan de operatoren gebruiken om, expressies voor berekeningen te construeren, of u kunt ze eenvoudigweg in het vak typen.

De Resultaatlaag helpt u eigenschappen voor de uitvoerlaag te configureren:

  • checkbox Direct groep voor gegevensset maken in plaats van de laag naar schijf te schrijven:

    • Indien niet geselecteerd wordt de uitvoer opgeslagen op schijf als een nieuw gewoon bestand. Een pad voor Uitvoerbestand en een Indeling uitvoer zijn vereist.

    • Indien geselecteerd zal een nieuwe groep voor de gegevensset worden toegevoegd aan de laag met mazen. Waarden van de groep voor de gegevensset worden niet in het geheugen opgeslagen, maar elke gegevensset wordt berekend als die nodig is in de formule die is ingevoerd in Mazen berekenen. Die virtuele groep voor de gegevensset wordt met het project opgeslagen, en indien nodig, kan hij worden verwijderd of permanent worden gemaakt in het bestand vanaf de tab Bron in de Laageigenschappen.

    In beide gevallen zou u een Groepsnaam moeten opgeven voor de uitvoer groep voor de gegevensset.

  • Het Ruimtelijk bereik waarmee rekening moet worden gehouden voor berekenen mag zijn:

    • een Aangepast bereikt, handmatig gevuld met de coördinaten voor X min, X max, Y min en Y max, of uitgenomen uit een bestaande groep voor de gegevensset (selecter hem in de lijst en druk op Geselecteerd laagbereik gebruiken om de bovengenoemde velden voor coördinaten te vullen)

    • gedefinieerd door een polygonenlaag (Maskeerlaag) van het project: de geometrie van de objecten polygoon worden gebruikt om de gegevenssets van de laag met mazen te clippen

  • De Tijdsperiode waarmee rekening moet worden gehouden voor gegevenssets kan worden ingesteld met de opties Starttijd en Eindtijd, geselecteerd uit de bestaande tijdstappen van de groepen voor gegevenssets. Zij kunnen ook worden gevuld met de knop Alle geselecteerde tijden van de gegevensset gebruiken om de gehele periode te nemen.

Het gedeelte Operatoren bevat alle beschikbare operatoren. Klik, om een operator toe te voegen aan het expressievak van Mazen berekenen, op de toepasselijke knop. Rekenkundige berekeningen (+, -, *, … ) en statistische functies (min, max, sum (aggr), average (aggr), … ) zijn beschikbaar. Voorwaardelijke expressies (=, !=, <, >=, IF, AND, NOT, … ) geven ofwel 0 voor false of 1 voor true terug, en kunnen daarom worden gebruikt met andere operatoren en functies. De waarde NODATA mag ook in de expressies worden gebruikt.

De widget Uitdrukking voor mazen berekenen geeft de expressie weer en laat u die bewerken om uit te voeren.