5.1. Lesson: Een nieuwe vector gegevensset maken

De gegevens die u gebruikt moeten ergens vandaan komen. Voor de meeste algemene toepassingen bestaan de gegevens al; maar hoe meer bijzonder en speciaal het project, hoe minder aannemelijk het is dat de gegevens al beschikbaar zullen zijn. In dergelijke gevallen zult u uw eigen gegevens moeten maken.

Het doel voor deze les: Een nieuwe vector gegevensset maken.

5.1.1. basic Follow Along: Het dialoogvenster Laag maken

Vóór u nieuwe vectorgegevens kunt toevoegen dient u een vector gegevensset te hebben om ze aan toe te kunnen voegen. In ons geval zult u beginnen door geheel nieuwe gegevens te maken, in plaats van het bewerken van een bestaande gegevensset. Daarom dient u eerst uw eigen nieuwe gegevensset te definiëren.

  1. Open QGIS en maak een nieuw, blanco project.

  2. Navigeer naar en klik op het menu-item Kaartlagen ▶ Laag maken ▶ Nieuwe Shapefile-laag. U krijgt het dialoogvenster Nieuwe Shapefile-laag gepresenteerd dat u in staat stelt een nieuwe laag te definiëren.

    ../../../_images/create_vector_layer.png
  3. Klik op voor het veld Bestandsnaam. Een dialoogvenster voor opslaan zal verschijnen.

  4. Navigeer naar de map exercise_data.

  5. Sla uw nieuwe laag op als school_property.shp.

    Het is belangrijk om in dit stadium te beslissen welk soort gegevensset u wilt. Elk verschillend type vectorlaag wordt “anders gebouwd” op de achtergrond, dus als u de laag eenmaal hebt gemaakt, kunt u het type niet meer wijzigen.

    Voor de volgende oefening zullen we nieuwe objecten maken die gebieden beschrijven. Voor dergelijke objecten moet u een polygoon gegevensset maken.

  6. Selecteer, voor Type geometrie, Polygoon uit het keuzemenu.

    ../../../_images/polygon_selected.png

    Dit heeft geen invloed op de rest van het dialoogvenster, maar het zorgt er voor dat het juiste type geometrie zal worden gebruikt als de vector gegevensset wordt gemaakt.

    Het volgende veld stelt u in staat het Coördinaten ReferentieSysteem, of CRS, te specificeren. CRS is een methode van het associëren van numerieke coördinaten aan een positie op het oppervlak van de Aarde. Bekijk de gebruikershandleiding over Werken met projecties om eer te weten te komen.

    Voor dit voorbeeld zullen we het standaard CRS gebruiken dat is geassocieerd aan dit project, wat WGS84 is.

    ../../../_images/default_crs.png

    Vervolgens is er een collectie van velden gegroepeerd onder Nieuw veld. Standaard heeft een nieuwe laag slechts één attribuut, het veld id (wat u zou moeten zien in de Lijst met velden) onderin. Echter, om de gegevens die u gaat maken bruikbaar te maken, dient u in feite iets te zeggen over de objecten die u gaat maken in deze nieuwe laag. Voor onze huidige doelen is het voldoende om één veld, genaamd name, toe te voegen dat Text data zal bevatten en zal worden beperkt tot een tekstlengte van 80 tekens.

  7. Repliceer onderstaande instellingen en klik op de knop Aan lijst met velden toevoegen:

    ../../../_images/new_attribute.png
  8. Controleer of uw dialoogvenster zou er nu ongeveer zo uit ziet:

    ../../../_images/new_attribute_added.png
  9. Klik op OK

De nieuwe laag zou moeten verschijnen in uw paneel Lagen.

5.1.2. basic Follow Along: Gegevensbronnen

Wanneer u nieuwe gegevens maakt, is het duidelijk dat het moet gaan over objecten die echt op de grond bestaan. Daarom dient u uw informatie ergens vandaan te halen.

Er bestaan vele verschillende manieren om gegevens over objecten te verkrijgen. U zou bijvoorbeeld een GPS kunnen gebruiken om punten vast te leggen in de echte wereld en dan later de gegevens in QGIS importeren. Of u zou punten kunnen meten met behulp van een theodoliet, en de coördinaten handmatig kunnen invoeren om nieuwe objecten te maken. Of u zou het proces voor digitaliseren kunnen gebruiken om objecten te traceren vanaf gegevens die vanaf afstand zijn opgenomen, zoals satellietbeelden of luchtfotografie.

Voor ons voorbeeld zult u de benadering voor digitaliseren gebruiken. Voorbeelden van raster gegevenssets worden meegeleverd, dus u dient ze te importeren als dat nodig is.

  1. Klik op de knop dataSourceManager Databronnen beheren openen.

  2. Selecteer raster Raster aan de linkerkant.

  3. Klik, in het paneel Bron, op de knop :

  4. Navigeer naar exercise_data/raster/.

  5. Selecteer het bestand 3420C_2010_327_RGB_LATLNG.tif.

  6. Klik op Openen om het dialoogvenster te sluiten.

    ../../../_images/add_raster.png
  7. Klik op Toevegen en Close. Een afbeelding zal in uw kaart worden geladen.

    ../../../_images/raster_added.png
  8. Als u geen luchtfoto ziet verschijnen, selecteer de nieuwe laag, klik met rechts en kies Op kaartlaag inzoomen in het contextmenu.

    ../../../_images/zoom_to_raster.png
  9. Klik op de knop zoomIn Inzoomen en zoom naar het hieronder in blauw geaccentueerde gebied:

    ../../../_images/map_area_zoom.png

Nu bent u klaar om deze drie velden te gaan digitaliseren:

../../../_images/field_outlines1.png

Laten we, voordat we beginnen, de laag school_property verplaatsen tot boven de luchtfoto.

  1. Selecteer de laag school_property in het paneel Lagen en sleep hem naar boven.

../../../_images/move_school_layer.png

U moet naar de modus Bewerken gaan om te kunnen beginnen met digitaliseren. GIS-software vereist dit in het algemeen om te voorkomen dat u per ongeluk belangrijke gegevens bewerkt of verwijdert. De modus Bewerken wordt individueel in- of uitgeschakeld voor elke laag.

Modus Bewerken inschakelen voor de laag school_property:

  1. Klik op de laag school_property in het paneel Lagen om hem te selecteren.

  2. Klik op de knop toggleEditing Bewerken aan/uitzetten.

    Als u deze knop niet kunt vinden, controleer dan of de werkbalk Digitaliseren is ingeschakeld. Er zou een vinkje moeten staan naast het menu-item Beeld ▶ Werkbalken ▶ Digitaliseren.

    Zodra u in de modus Bewerken bent, zult u zien dat enkele gereedschappen voor digitaliseren actief zijn geworden:

    • capturePolygon Object polygoon toevoegen

    • vertexToolActiveLayer Gereedschap Punten

    Andere relevante knoppen zijn nog steeds inactief, maar zullen actief worden wanneer we beginnen met interacties op onze nieuwe gegevens.

    Merk op dat de laag school_property in het paneel Lagen nu het pictogram Potlood heeft, wat aangeeft dat hij in modus Bewerken staat.

  3. Klik nu op de knop capturePolygon Object polygoon toevoegen om te beginnen met het digitaliseren van de velden van onze school.

    Het zal u opgevallen zijn dat uw muiscursor een kruisdraad is geworden. Dit stelt u in staat om de punten die u zult digitaliseren nauwkeuriger te plaatsen. Onthoud dat u, zelfs wanneer u het gereedschap Digitaliseren op uw kaart gebruikt, kunt in- en uitzoomen door te draaien met het muiswiel, en u kunt verschuiven door het muiswiel ingedrukt te houden en over de kaart te slepen.

    Het eerste object dat u zult digitaliseren is het athletics field:

    ../../../_images/school_area_one.png
  4. Start het digitaliseren door te klikken op een punt ergens langs de rand van het veld.

  5. Plaats meer punten door te klikken verder langs de rand, totdat de vorm die u tekent het veld volledig bedekt.

    ../../../_images/school_field_outline.png
  6. Klik met rechts na het plaatsen van uw laatste punt om het tekenen van de polygoon te voltooien. Dit zal het object voltooien en u het dialoogvenster Attributen laten zien.

  7. Vul de waarden in zoals hieronder:

    ../../../_images/school_area_one_attributes.png
  8. Klik op OK en u heeft een nieuw object gemaakt!

    ../../../_images/new_feature.png
  9. Selecteer, in het paneel Lagen, de laag school_property.

  10. Klik met rechts en kies Attributentabel openen in het contextmenu

    ../../../_images/open_attribute_table.png

    In de tabel zult u het object zien dat u zojuist hebt toegevoegd. Terwijl u in modus Bewerken bent, kunt de gegevens van de attributen bijwerken door te dubbelklikken op de cel die u wilt bijwerken.

    ../../../_images/feature_table.png
  11. Sluit de attributentabel.

  12. Klik op de knop saveEdits Wijzigingen laag opslaan om het nieuwe object, dat we net gemaakt hebben, op te slaan.

Onthoud dat als u een vergissing maakte tijdens het digitaliseren van een object, kunt u dat altijd nog bewerken als u het maken ervan voltooid heeft. Als u een fout maakte, ga dan door met digitaliseren totdat u klaar bent met het maken van het object hierboven. Dan:

  1. Klik op de knop vertexToolActiveLayer Gereedschap Punten.

  2. Ga met de muis over een punt dat u wilt verplaatsen en klik met links op het punt.

  3. Verplaats de muis naar de juiste locatie voor het punt, en klik met links. Dit zal het punt naar de nieuwe locatie verplaatsen.

    ../../../_images/select_vertex.png
    ../../../_images/moved_vertex.png

    Dezelfde procedure kan worden gebruikt om een lijnsegment te verplaatsen, maar dan dient u over het middelpunt van het llijnsegment te gaan.

Als u een wijziging ongedaan wilt maken, kunt u drukken op de knop undo Ongedaan maken of op Ctrl+Z.

Onthoud om uw wijzigingen op te slaan door te klikken op de knop saveEdits Wijzigingen laag opslaan.

Men dient een object te selecteren, om de resterende gereedschappen voor het bewerken van objecten in te schakelen.

  1. Klik op de knop selectRectangle Objecten selecteren per gebied of met een enkele klik op de werkbalk Attributen.

  2. Klik op het object dat net werd gemaakt en de resterende knoppen zullen ingeschakeld worden.

    ../../../_images/all_active_buttons.png

    Bekijk de Gebruikershandleiding voor een beschrijving van de andere knoppen op deze werkbalk.

  3. Klik, als u klaar bent met bewerken, op de knop toggleEditing Bewerken aan/uitzetten, om uit de modus Bewerken te gaan, en sla uw gegevens op.

5.1.3. basic Try Yourself: Polygonen digitaliseren

Digitaliseer de school zelf en het bovenste veld. Gebruik deze afbeelding om u te helpen:

../../../_images/field_outlines1.png

Onthoud dat elk nieuw object een unieke waarde id moet hebben!

Notitie

Wanneer u klaar bent met het toevoegen van objecten aan een laag, onthoud dan om de bewerkingen op te slaan en de modus Bewerken te verlaten.

Notitie

U kunt de vulling, de omtrek en plaatsen van labels van school_property opmaken met behulp van de technieken die werden geleerd in eerdere lessen.

5.1.4. moderate Follow Along: Tabel Punten bewerken gebruiken

Een ander manier om de objecten te bewerken is door het handmatig invoeren van de feitelijke coördinaatwaarden voor elk punt, met de tabel Punten bewerker.

  1. Zorg er voor dat u in modus Bewerken bent voor de laag school_property.

  2. Klik, indien die nog niet geactiveerd is, op de knop vertexToolActiveLayer Gereedschap Punten.

  3. Ga met de muis over een van de objecten polygoon die u op de laag school_property hebt gemaakt en klik er met rechts op. Dit zal het object selecteren en een venster Punten bewerker zal openen.

    ../../../_images/vertex_editor_table.png

    Notitie

    Deze tabel bevat de coördinaten voor de punten van het object. Merk op dat er zeven punten voor dit object zijn, maar er zijn er slechts zes visueel geïdentificeerd in het kaartgebied. Bij nadere beschouwing zult u merken dat rij 0 en 6 identieke coördinaten hebben. Dat zijn de begin- en eindpunten van de geometrie van het object, en zijn vereist om een gesloten object polygoon te maken.

  4. Klik en sleep een vak over een punt, of meerdere punten, van het geselecteerde object.

    ../../../_images/vertex_select.png

    De geselecteerde punten zullen wijzigen naar de kleur blauw en de tabel Punten bewerker zal de corresponderende rijen geaccentueerd hebben, die de coördinaten van de punten bevatten.

    ../../../_images/vertex_selected.png
  5. Dubbelklik met links, om een coördinaat bij te werken, op de cel in de tabel die u wilt bewerken en voer de bijgewerkte waarde in. In dit voorbeeld is de X-coördinaat van rij 4 bijgewerkt van 20.4450 naar 20.4444.

    ../../../_images/edit_vertex_in_vertex_editor.png
  6. Druk, na het invoeren van de bijgewerkte waarde, op de toets Enter om de wijziging door te voeren. U zult het punt in het kaartvenster zien verplaatsen naar de nieuwe locatie.

  7. Klik, als u klaar bent met bewerken, op de knop toggleEditing Bewerken aan/uitzetten, om uit de modus Bewerken te gaan, en sla uw gegevens op.

5.1.5. basic Try Yourself: Lijnen digitaliseren

We gaan twee routes digitaliseren die nog niet zijn gemarkeerd op de laag roads; één is een pad de ander is een spoor. Ons pad loopt langs de zuidelijke rand van de wijk Railton, beginnend en eindigend op gemarkeerde wegen:

../../../_images/path_start_end.png

Ons spoor is iets meer naar het zuiden:

../../../_images/track_start_end.png
  1. Maak een nieuwe ESRI Shapefile lijn gegevensset, genaamd routes.shp met de attributen id en type. (gebruik de benadering hierboven om u te leiden.)

  2. Als de laag roads nog niet op uw kaart staat, voeg die dan toe vanuit het bestand voor GeoPackage training-data.gpkg, opgenomen in de map exercise_data van de trainingsgegevens die u hebt gedownload.

  3. Activeer modus Bewerken.

  4. Klik, omdat u werkt met een object lijn, op de knop addLineFeature Object lijn toevoegen om de modus voor het digitaliseren van lijnen te initiëren.

  5. Digitaliseer, één per keer, het pad en het spoor op de laag routes. Probeer de routes zo nauwkeurig mogelijk te volgen door het toevoegen van punten langs bochten of koerswijzigingen.

  6. Stel de attribuutwaarde type in op path of track.

  7. Gebruik het dialoogvenster Laageigenschappen om opmaak aan uw routes toe te voegen. Het staat u vrij verschillende stijlen voor paden en sporen te gebruiken.

  8. Sla uw bewerkingen op en schakel de modus Bewerken uit door te drukken op de knop toggleEditing Bewerken aan/uitzetten.

Controleer uw resultaten

5.1.6. In Conclusion

Nu weet u hoe u objecten kunt maken! Deze cursus behandelt niet het toevoegen van punt-objecten, omdat dat niet echt nodig is als u eenmaal met meer gecompliceerde objecten heeft gewerkt (lijnen en polygonen). Het werkt exact hetzelfde, behalve dat u slechts één keer klikt waar u het punt wilt plaatsen, geef het zoals gewoonlijk zijn attributen en dan is het object gemaakt.

Weten hoe digitaliseren werkt is belangrijk omdat het een veel voorkomende activiteit in programma’s van GIS is.

5.1.7. What’s Next?

Objecten in een laag van GIS zijn niet slechts afbeeldingen, maar objecten in de ruimte. Bijvoorbeeld: aaneensluitende polygonen weten waar zij in relatie tot elkaar staan. Dit wordt topologie genoemd. In de volgende les zult u een voorbeeld zien van waarom dit handig kan zijn.